Voortgangsbrief Jeugd
Brief regering
Nummer: 2026D03777, datum: 2026-01-27, bijgewerkt: 2026-01-27 17:38, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ooit VVD kamerlid)
- Mede ondertekenaar: A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ooit VVD kamerlid)
- Routekaart
- Van Praat- naar Daadkracht
- Programma Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Zevende voortgangsrapportage
- Versterk liefdevolle en veilige partnerrelaties in Nederland
- Gezinshuizen in Nederland. Cijfers in 2025
- Factsheet gezinshuizen
- Onderzoek steunfiguren voor kinderen in familierechtelijke en jeugdbeschermingsprocedures
- Beslisnota bij Voortgangsbrief Jeugd
Onderdeel van zaak 2026Z01577:
- Indiener: J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Medeindiener: A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
- Volgcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
Geachte voorzitter,
Vooruitkomen in het leven begint met veilig en gehecht opgroeien in goede lichamelijke, mentale en sociale gezondheid. Dat opgroeien is per definitie een weg vol pieken en dalen. Ieder kind en iedere jongvolwassene kent periodes van onzekerheid, eenzaamheidsgevoelens en soms ook somberheid of opstandigheid. Dat is normaal. Daarom is het zo belangrijk dat kinderen kunnen opgroeien in een warm nest, waar ze ook leren omgaan met tegenslag. Thuis of met vrienden praten over wat dwarszit lucht vaak al op. Ouders hebben hier als eerste opvoeders een belangrijke rol. En als dat niet kan of lastig is, dan kunnen jongeren steun zoeken bij een docent of mentor op school, of online via bijvoorbeeld het platform ‘Injebol.nl’. Als (mentale) problemen erger worden en niet overgaan, kan professionele hulp nodig zijn. Die moet dan ook beschikbaar zijn.
Dit moet het nieuwe normaal worden. Want het kan toch niet zo zijn dat 1 op de 7 jongeren professionele jeugdhulp nodig heeft in een land dat behoort tot de wereldtop als het gaat om het welbevinden van de jeugd1. Dat vinden we onwenselijk vanuit sociaal-maatschappelijk oogpunt voor jeugdigen en gezinnen zelf: we gunnen hen een jeugd zonder zorg. Ook in het licht van het beschikbare budget en personeel is dit nodig: we hebben simpelweg niet genoeg mensen en middelen.
Het terugdringen van het aantal jeugdigen dat jeugdhulp gebruikt vraagt om inzet van alle betrokkenen en stevige sturing op inhoud en financiën op basis van kwalitatief goede data. We werken daarom aan een samenhangend pakket aan maatregelen om het aantal individuele maatwerktrajecten fors terug te dringen, evenals de intensiteit, duur en kosten daarvan. Het betreft maatregelen die reeds in de Hervormingsagenda Jeugd2 zijn aangekondigd, zoals het aanpassen van de Jeugdwet op de reikwijdte van jeugdhulp, maar ook de inzet op het verbeteren van de kwaliteit van jeugdzorg en het bouwen aan stevige lokale teams die zelf effectief hulp bieden. Door hier gericht op te sturen, beogen we minder doorverwijzing naar en gebruik van langdurige en/of intensieve jeugdhulp en als gevolg daarvan vermindering van de uitgaven.
Wij willen het tij keren en alles op alles zetten, zodat niet meer 1 op de 7 jeugdigen gebruik maakt van jeugdzorg, maar de beweging is ingezet naar maximaal 1 op de 10 jeugdigen in jeugdzorg eind 2028. Dat gaat dan nog om 350.000 jeugdigen èn hun gezinnen met jeugdzorg, waar dat er in 2024 nog zo’n 500.000 waren.
Sinds 2023 wordt door partijen uit de ‘Vijfhoek’ (Rijk, VNG, Samenwerkende Brancheorganisaties en Samenwerkende Beroepsverenigingen Jeugd en vertegenwoordigers van cliënten- en jongerenorganisaties), uitvoering gegeven aan de Hervormingsagenda Jeugd om te voorkomen dat jeugdzorg nodig is, de jeugdzorg zelf te verbeteren en het stelsel (financieel) houdbaar te maken voor de toekomst.
De Deskundigencommissie geeft in haar eerste advies3 aan dat de richting van de Hervormingsagenda goed is, maar dat de maatregelen wel scherper en concreter moeten worden en dat duidelijker prioriteiten gesteld moeten worden.
Om dit doel te bereiken, is – conform het advies van de Deskundigencommissie –door betrokken partijen in een routekaart in een overzicht gezet met welke prioriteiten we komende periode aan de slag gaan. De routekaart is als bijlage aan deze brief toegevoegd. Daarin staan de volgende prioriteiten:
Versterken ouderschap door een sterke sociaal pedagogische basis te faciliteren en te ondersteunen.
Stevige lokale teams die zelf ondersteuning en (collectieve) hulp bieden.
Terugdringen van het gebruik van aanvullende jeugdhulp.
Minder uithuisplaatsingen en minder gesloten jeugdhulp.
Kwaliteitsverbetering van de jeugdzorg.
Een belangrijk advies van de Deskundigencommissie is daarnaast om de sturingsinformatie te verbeteren, een thema dat door verschillende van de hierboven genoemde prioriteiten heen loopt. Verderop in deze brief besteden we aandacht aan deze aanbeveling.
Eerder hebben wij uw Kamer al gemeld dat in september 2025 728 miljoen euro extra beschikbaar is gesteld. Gemeenten kunnen dit inzetten ter ondersteuning van de transformatie van de Jeugdzorg conform de afspraken in de Hervormingsagenda4. Dit komt bovenop de 3 miljard euro die eerder bij de Voorjaarsnota 2025 beschikbaar is gesteld. Naast aanvullende middelen is tussen Rijk en VNG afgesproken dat we ons onverminderd inzetten voor de uitvoering van de Hervormingsagenda, deze intensiveren én dat we aanvullende maatregelen nemen, zoals in deze brief ook verder wordt toegelicht. Hiermee volgt het kabinet het advies van de Deskundigencommissie op en biedt het volgende kabinet ruimte om invulling te geven aan een van de belangrijke adviezen: de kramp eraf, de druk erop.
Een belangrijk ander element in de opvolging van de adviezen van de Deskundigencommissie is het wetsvoorstel reikwijdte. Deze aanpassing van de Jeugdwet biedt versterking op verschillende van de bovengenoemde prioriteiten uit de routekaart.
In deze brief wordt u daarom eerst geïnformeerd over de stand van zaken van dit wetsvoorstel. Vervolgens wordt nader ingegaan op de vijf prioriteiten uit de routekaart en de lopende en nieuwe acties die daarmee verband houden.
Ten slotte gaan we in op de stand van zaken van het Toekomstscenario en enkele ontwikkelingen in de Jeugdbescherming. In bijlage 1 bij deze brief treft u de stand van zaken op enkele aanvullende onderwerpen en in bijlage 2 is een overzicht van diverse moties en toezeggingen opgenomen.
Wetsvoorstel ‘reikwijdte’
Het ministerie van VWS heeft in afstemming met de betrokken partijen de afgelopen maanden flinke stappen gezet om te komen tot een invulling van het wetsvoorstel reikwijdte. Het wetsvoorstel is bedoeld om gemeenten te helpen meer grip krijgen op de jeugdhulp. Daartoe wordt onder meer ‘de beweging naar voren’ verankerd.
Om de trend te keren en daadwerkelijk te komen tot minder jongeren in de jeugdzorg is het niet genoeg om in te zetten op ‘de beweging naar voren’. Ook het aantal individuele maatwerktrajecten als zodanig moet nadrukkelijker afnemen. Om die reden wordt, mede indachtig het advies van de Deskundigencommissie, het wetsvoorstel reikwijdte aangescherpt in deze richting. Daarnaast is flankerend beleid nodig om tot deze beoogde afname te komen. Eén van de zaken die we verkennen is de mogelijkheid om te komen tot een betere sturing op het macrobudget voor jeugdhulp. In paragraaf 2.3 van deze brief gaan wij hier verder op in. Ten slotte komen veel problemen van jeugdigen in de jeugdzorg voort uit onderliggende problematiek in de eigen context of die van hun gezin. Met het wetsvoorstel reikwijdte krijgen gemeenten handvatten binnen het jeugdstelsel. Maar voor een structurele vermindering van de vraag naar jeugdhulp is, zoals beschreven in paragraaf 2.1 van deze brief, de samenwerking met andere domeinen en departementen, onder andere via de Sociale Agenda voor Nederland, cruciaal.
De internetconsultatie van het wetsvoorstel reikwijdte kan starten in het eerste kwartaal van 2026. Deze consultatie kan het volgende kabinet de handvatten geven om de beoogde beweging en cultuuromslag samen met gemeenten en aanbieders verder vorm te geven.
In de voortgangsbrief van 13 juni jl. hebben wij uw Kamer geïnformeerd over de richtinggevende elementen die een plek krijgen in de consultatieversie van het wetsvoorstel:
Kern van het wetsvoorstel is de verplichting dat iedere gemeente een stevig lokaal team heeft, waar inwoners laagdrempelig terecht kunnen met hun opgroei-, opvoedvragen en vragen over mentale gezondheid en dat ook zelf hulp biedt.
Met een vastgelegd minimumniveau van pedagogische basisvoorzieningenworden lokale verschillen kleiner en kunnen jeugdigen en ouders beter weten waar ze op kunnen terugvallen.
Met een nadere definitie van jeugdhulp is onderscheid mogelijk tussen basisjeugdhulp (die zoveel mogelijk (collectief) wordt geboden door lokale teams) en aanvullende jeugdhulp.
De bedoeling blijft dat zoveel mogelijk wordt volstaan met pedagogische basisvoorzieningen en basisjeugdhulp: eerder beschreven als ‘zo licht als mogelijk, zo zwaar als nodig’. Nu worden teveel jeugdigen te snel naar individuele maatwerktrajecten verwezen en moeten jeugdigen in de meest kwetsbare situaties lang wachten op passende hulp. Alleen als deze basisvoorzieningen niet toereikend zijn, is aanvullende jeugdhulp aan de orde.
Met het wetsvoorstel reikwijdte kunnen de lokale teams wettelijk verankerd worden met een duidelijker afwegingskader , onder andere door uitwerking van het begrip ‘eigen kracht’ en ‘gebruikelijke hulp’.
Daarnaast helpen de volgende richtinggevende elementen bij het terugdringen van het aantal individuele maatwerktrajecten:
De Jeugdwet kent meerdere rechtstreekse verwijzers waardoor gemeenten minder grip hebben op de instroom van jeugdigen. Conform het advies van de Deskundigencommissie is het van belang om eraan bij te dragen dat lokale teams een volwaardige rol kunnen hebben. In dat kader is het van belang dat we de positie van de lokale teams ten opzichte van de andere verwijzers gaan versterkent, onder andere door te onderzoeken hoe we hen een rol kunnen geven bij de inhoudelijke invulling van verwijzingen door andere verwijzers. Dit met inachtneming van de discussies en besluitvorming over het Toekomstscenario. Verwijzen naar gecontracteerd aanbod is daarbij zeer belangrijk.
Passende jeugdhulp: We bieden nog te vaak jeugdhulp voor bepaald gedrag bij jongeren terwijl dit (de oorzaak van) het probleem niet aanpakt en het kinderen (daardoor) ook niet helpt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie die ontstaat als ouders schulden hebben of in een vechtscheiding zitten. De interventies die nodig zijn om problematiek van de ouders aan te pakken, zijn doorgaans geen jeugdhulpinterventies. Dit vraagt om betere samenwerking tussen het volwassenen domein en het jeugddomein. Het is van belang te kunnen stimuleren dat de kern van het probleem wordt aangepakt en alleen jeugdhulp wordt geboden als dit helpend is en een effectieve samenwerking tussen het lokale team en andere domeinen zoals maatschappelijke ondersteuning, participatie, schuldhulpverlening en onderwijs tot stand komt.
De geboden hulp is vaak gericht op het individuele kind, terwijl we zien dat diverse kinderen juist baat hebben bij hulp in groepsverband. Peer-to-peer contact heeft over het algemeen een positief effect en vergroot het netwerk en daarmee de steun in de omgeving van kinderen. Daarom is groepsaanbod voorliggend aan individuele hulp, tenzij evident is dat individuele hulp effectiever is.
Het aantal vormen van hulp dat wordt geboden in het kader van de Jeugdwet is de afgelopen jaren steeds verder toegenomen. De mogelijkheid om wettelijk te bepalen welke jeugdhulpvormen in ieder geval niet op grond van de Jeugdwet worden ingezet, is een element waar gemeenten behoefte aan hebben. Bijvoorbeeld omdat de inzet van die jeugdhulpvormen verder strekt dan de beoogde reikwijdte van de Jeugdwet, bewezen niet-effectief is of zelfs schadelijk is. Hiermee ontstaat een eerste stap om de wildgroei van het jeugdhulpaanbod terug te dringen.
De duur en intensiteit (en daarmee de kosten) van soortgelijke trajecten kunnen sterk verschillen. Het blijkt wenselijk dat in de praktijk goed wordt gekeken of de geboden hulp nog effectief is en moet worden doorgezet. Normerende afspraken met gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van aanvullende jeugdhulp met daarin de trajectduur en de monitoring daarvan, kunnen dan een belangrijk element worden in de opdracht aan het college van B&W. Het college maakt dan tevens afspraken over de inzet of voortzetting van aanvullende jeugdhulp waarmee hoge kosten gemoeid zijn.
Om kinderen zoveel mogelijk in hun eigen omgeving te laten opgroeien en zich te laten ontwikkelen, is het van belang dat onderwijs, jeugdhulp en zorg goed op elkaar aansluiten. Daarom geeft het wetsvoorstel reikwijdte richting aan de samenwerking tussen lokale teams en scholen. Doel is dat scholen laagdrempelig bij het team terecht kunnen voor vragen en hulp en leerlingen zo goed mogelijk in hun alledaagse context, zoals op school, geholpen kunnen worden. Daarnaast is de inzet gericht op het bieden van laagdrempelige jeugdhulp en zorg aan leerlingen in gespecialiseerd onderwijs.
Ook moeten samenwerkingsverbanden, gemeenten en zo nodig zorgkantoren daarbij overleg voeren, gericht op het maken van afspraken over het in afstemming aanbieden van basishulp en langdurige zorg voor leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs.
Het ligt voor de hand dat gemeenten en scholen hiervoor het reeds bestaande instrument van de Lokale Educatieve Agenda (LEA) benutten.
Veel gemeenten zetten zich al in om de beoogde beweging te maken. Ook de Jeugdautoriteit constateert dat in hun rapport ‘de stand van de Jeugdzorg 2025’5. De cultuuromslag vraagt inzet van gemeenten, Rijk en andere partijen op veel fronten. Het wetsvoorstel staat dan ook niet op zichzelf maar maakt onlosmakelijk deel uit van het samenhangend pakket aan maatregelen uit de Hervormingsagenda.
Lopende acties naar aanleiding van de vijf prioriteiten uit de routekaart
We versterken ouderschap door een sterke sociaal pedagogische basis te faciliteren en te ondersteunen.
Het is essentieel dat de context waarin jeugdigen opgroeien, aangepast wordt aan de jeugdigen in plaats van andersom. Dit betekent dat we op een andere manier moeten gaan kijken naar hulpvragen. Dat geldt voor jongeren, ouders, de samenleving, professionals, politiek, en andere relevante partijen. Daarbij moeten
we eerlijk zijn over wat jeugdhulp kan bieden. Jeugdhulp is geen oplossing voor alles. Bovendien is het wenselijk om de hulp en zorg meer te richten op het omgaan met problematiek en het omarmen van verschillen in plaats van deze te (willen) behandelen.
Via PRAATPOWER – onderdeel van de maatschappelijke dialoog – worden scholen, gemeenten, verenigingen, wijkteams én jongeren geholpen zelf deze gesprekken vorm te geven.
Sinds de lancering van PRAATPOWER in maart 2025 is er met honderden jongeren en hun omgeving, bijvoorbeeld de school of jongerenwerk, het gesprek gevoerd over mentale gezondheid, mentaal gezond opgroeien en wat jongeren (nu al) zelf kunnen doen om mentaal gezond te blijven. YoungExperts, een initiatief gericht op jongerenparticipatie vanuit het SYNC-lab van de Erasmusuniversiteit een jongerenparticipatieplatform van de Erasmus Universiteit Rotterdam, heeft de input uit deze gesprekken geanalyseerd, besproken met focusgroepen met jongeren en vertaald naar take actions. Het rapport met de opbrengst van een jaar PRAATPOWER vindt u als bijlage bij deze brief. De belangrijkste conclusie uit het rapport is dat mentaal welzijn niet individueel hoeft te worden opgelost. Bouwstenen kunnen gezocht worden in de omgeving zoals familie, docenten, vrienden en organisaties - mits die over de mogelijkheden en vaardigheden beschikken om hierbij te helpen. Ook benadrukt het rapport het belang van betekenisvolle participatie door jongeren. Jongeren hebben de behoefte om bij te dragen, gehoord en gerespecteerd te worden. Dit draagt bij aan bewustwording, innovatieve ideeën en effectief beleid en handelingsperspectief.
Via de netwerkorganisatie Kwaliteit en Blijvend Leren (zie ook paragraaf 2.5) wordt het gesprek onder en met professionals gefaciliteerd. Op dit moment ligt de focus op de informele steun voor jeugdigen en hun gezin te versterken.
Wij ondersteunen de maatschappelijke dialoog de komende tijd o.a. door het delen van goede voorbeelden.6
Naast het anders kijken naar opgroei- en opvoedvragen zijn er ook veel huishoudens in Nederland die kampen met meerdere problemen tegelijkertijd, zoals werkloosheid, geldzorgen, slechte huisvesting, opvoed- en gezondheidsproblemen, verslavingsproblematiek en onveiligheid. Dit leidt vaak tot een vraag om jeugdhulp voor de kinderen in deze gezinnen, in plaats van direct op de ouders of situatie gerichte hulp. Deze beweging moet gekeerd worden. De samenwerking met andere domeinen en departementen is daarvoor cruciaal. Onder meer daarom is het Rijk in samenwerking met de VNG aan de slag gegaan om een Sociale Agenda voor Nederland te ontwikkelen. Dit wordt een structurele en integrale agenda waarin ook huisvesting, leefbaarheid van wijken, gezondheid en zorg, veiligheid, lokale teams en onderwijs worden samengebracht. We vinden het belangrijk dat er op de korte en middellange termijn resultaten zichtbaar zijn. En tegelijkertijd zetten we ook in op structurele verbeteringen in het sociaal domein die meer tijd vragen, zoals onderzoek naar harmonisering van wetgeving.
De integrale aanpak van de agenda in het sociaal domein zal bijdragen aan het terugdringen van de jeugdhulpvraag. De Sociale Agenda wordt door de verschillende departementen in het sociaal domein en de VNG gezamenlijk opgepakt. In 2026 wordt uw Kamer nader hierover geïnformeerd.
Ook de samenwerking met de volwassenen ggz is van belang voor het inzetten van de juiste hulp in gezinnen met meerdere problemen. Veel kinderen die jeugdzorg ontvangen hebben ouders met mentale problemen7. Inzet op ouders is dan effectiever dan alleen de jeugdige hulp bieden. Die samenwerking met de ggz ondersteunen we met o.a. pilots via ZonMw, een Kompas voor regionale netwerksamenwerking8, actieonderzoek van IPW en lerende netwerken9. Bovendien is onderzocht hoe domeinoverstijgende samenwerking met de ggz structureel financieel en juridisch geborgd kan worden.10 In vervolg daarop zijn we in overleg met de sector over een landelijke leidraad voor de financiering van gezinsgerichte, domeinoverstijgende samenwerking. Ook in het Interdepartementaal Beleidsonderzoek mentale gezondheid en ggz11 en het Actieprogramma mentale gezondheid en ggz12 is het thema gezinsgerichte samenwerking geagendeerd. Eén van de punten is dat wordt nagegaan of de consultatiefunctie ggz voldoende aansluit bij de behoeften van jeugdzorgprofessionals.
We creëren stevige lokale teams die zelf ondersteuning en (collectieve) hulp bieden
Stevige lokale teams vormen een belangrijke spil voor gezinnen waar zij laagdrempelig en dichtbij huis terecht kunnen. Deze teams kijken vanuit een brede integrale blik naar de context van de hulpvraag en kunnen zelf hulp. Het is de bedoeling dat zij een meer gezaghebbende positie krijgen in het bepalen of iemand hulp nodig heeft en zo ja, welke hulp het meest passend is: adviseren over een passende vorm van preventie (waaronder sociale (pedagogische) basisvoorziening), basishulp en/of (meer specialistische) aanvullende hulp. Wanneer nodig wordt er samengewerkt met andere domeinen, bijvoorbeeld schuldhulpverlening.
Met het wetsvoorstel reikwijdte kunnen de lokale teams wettelijk verankerd worden. Parallel worden steeds stappen gezet om het werken met stevige lokale teams in de praktijk door te ontwikkelen. In juni is uitgebreid ingegaan op enkele maatregelen in dit verband, zoals de maatschappelijke dialoog en convenant lokale teams. De afgelopen periode zijn hierop verdere stappen gezet:
In opvolging van het richtinggevend kader voor toegang, lokale teams en integrale dienstverlening in het sociaal domein heeft de VNG samen met partners13 gewerkt aan het convenant stevige lokale teams. Het bevat afspraken met de belangrijkste partijen over wat nodig is en wat ze van elkaar mogen verwachten om lokale teams te doen slagen. Voor het convenant is gekozen voor een modulaire opzet: een bestuurlijke hoofdtekst (lokale teams voor alle inwoners 0-100). En aparte modules voor Jeugd, Volwassenen (WMO en Participatiewet/ Schuldhulpverlening) en Onderwijs/ Kinderopvang. Verwachte ondertekening en vaststelling van het convenant (module jeugd) is begin 2026.
Daarnaast zijn er inmiddels 125 gemeenten ondersteund met advies- en coachingstrajecten door het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd bij het versterken van hun lokale teams.
Eind 2025 is een actieonderzoek afgerond door het Nederlands Jeugdinstituut en het Kenniscentrum LVB over de kennis en expertise over jeugdigen met een levenslange en levensbrede beperking en hun ouders in lokale teams. Parallel is een handreiking ontwikkeld voor lokale teams over de toepassing van het toekomstgericht perspectiefplan. Uw Kamer wordt hierover nog nader geïnformeerd.
In het najaar van 2025 zijn er afspraken gemaakt tussen de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV), Jeugdartsen Nederland (AJN) en de VNG om o.a. de samenwerking tussen lokale teams en huisartsen te verbeteren. Het gaat om afspraken zoals het door gemeenten inzichtelijk maken van de inrichting, samenstelling en expertise van lokale teams, het door de jeugdconsulent van het lokale team ondersteunen van de huisarts en het door huisartsen in principe verwijzen naar gecontracteerd aanbod. Deze afspraken worden naar verwachting begin 2026 bestuurlijk bekrachtigd.
We dringen het gebruik van aanvullende jeugdhulp terug
Om de trend te keren en daadwerkelijk te komen tot minder jongeren in de jeugdzorg is het niet genoeg om in te zetten op ‘de beweging naar voren’. Ook het jeugdhulpgebruik als zodanig moet nadrukkelijker afnemen en dan in het bijzonder het individueel maatwerk dat we hierboven in het wetsvoorstel reikwijdte hebben beschreven als ‘aanvullende jeugdhulp’. Daarom zetten we met de (intensivering van) de afspraken uit de Hervormingsagenda in op het fors terugdringen van het aantal individuele maatwerktrajecten, evenals de intensiteit, duur en kosten daarvan. Met het geheel aan maatregelen dat we willen nemen, zorgen we ervoor dat jeugdigen zo passend mogelijke hulp krijgen en bijvoorbeeld meer wordt opgelost in de directe omgeving van het kind en zijn gezin, hulp zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. Daarnaast is het naar onze overtuiging noodzakelijk om, samen met gemeenten, met behulp van financiële instrumenten gericht te sturen op afname van het gebruik van individuele specialistische jeugdhulp. We stellen hier drie maatregelen voor:
Macrobeheersing
Inkoop en contractering/sturen op trajectduur
Regionalisering en standaardisatie
Macrobeheersing
Eén van de zaken die we verkennen is de mogelijkheid om te komen tot een betere sturing op het macrobudget voor jeugdhulp. Dit houdt in dat we gaan kijken of gemeenten meer handvatten kunnen krijgen om de schaarste van mensen en middelen in de sector nadrukkelijker te betrekken in de wijze waarop zij de jeugdzorg inkopen en organiseren. Gemeenten vragen hierop duidelijker kaders van het Rijk. Het is van belang dat bij de uitwerking ook aandacht besteed wordt aan vraagstukken van prioritering en kwaliteitssturing, en hoe het proces van inkoop en contractering kan bijdragen aan de beoogde sturing. Ook wordt hierbij verkend of, en zo ja wat, hierover op welk niveau, landelijk of regionaal moet worden vastgelegd. En uiteraard moet ook gekeken worden naar hoe de financiële prikkels in het stelsel doorwerken. De verwachting is dat rond de zomer van 2026 de mogelijkheden in kaart zijn gebracht. Uw Kamer wordt daar dan over geïnformeerd.
Inkoop en contractering/sturen op trajectduur
De gemiddelde trajectduur is tussen 2015 en 2024 met 36 procent gestegen bij jeugdhulp zonder verblijf: van gemiddeld 297 dagen14 naar 403 dagen15.
Vormgeving van een goede inkoop en contractering zijn van groot belang ten behoeve van de 5 prioriteiten uit de routekaart. Het is aan gemeenten om hierover lokaal en regionaal afspraken te maken met de aanbieders en de sector. Rijk en VNG hebben ook afgesproken om met de sector afspraken te maken over hoe te sturen op de trajectduur en zorgintensiteit door o.a. te monitoren en benchmarken, afspraken vooraf met de sector over trajectduur bij de contractering, supervisie gericht op afronding van trajecten en meer inzet van informele steunfiguren. Het is vervolgens aan gemeenten om dit te vertalen in de contractafspraken met aanbieders.
Regionalisering en standaardisatie
Voor een groot aantal jeugdigen en gezinnen zijn (hoog)specialistische jeugdhulpvormen onvoldoende of niet tijdig beschikbaar. Dergelijke jeugdhulp kan het beste op regionaal niveau of waar nodig op landelijk niveau worden ingekocht. Om dit te verbeteren treedt de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg deels op 1 januari 2026 en deels op 1 januari 2027 in werking.
Deze wet biedt ook een basis voor andere maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd, gericht op standaardisatie van producten en bijbehorende registratie-, declaratie- en verantwoordingsregels van de gespecialiseerde jeugdzorg.
In de voortgangsbrief van 13 juni 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de stappen die gezet worden om de administratieve lasten in de jeugdzorg sterk terug te dringen. Kern is dat we komen tot een landelijk uniforme en gelimiteerde
set aan producten en productcodes, begrippen en onderliggende standaarden. Uit het rapport ‘databehoeften in kaart’ dat uw Kamer is aangeboden16, blijkt dat dit hard nodig is, en het rapport ‘De productstructuur als stevig fundament’17 beschrijft hoe zo’n gelimiteerde set aan producten eruit zou kunnen zien.
Alle betrokken partijen zijn hiermee voortvarend aan de slag gegaan: jeugdzorgaanbieders, gemeenten en jeugdzorgprofessionals werken samen aan het maken van een landelijke set van producten op basis van het rapport ‘De productstructuur als stevig fundament’. Daarnaast blijkt uit het rapport ‘databehoeften in kaart’ dat gemeentelijke uitvragen naar wachttijden en kostprijzen veel tijd vragen. Daarom zetten wij in op het snel beschikbaar komen van landelijke standaarden voor het meten van wachttijden en het in kaart brengen van kostprijzen. Ook hierover werken jeugdzorgaanbieders, gemeenten en jeugdzorgprofessionals samen aan afspraken. Bij de volgende voortgangsbrief zal uw Kamer hierover geïnformeerd worden.
We zorgen voor minder gesloten jeugdhulp
Een belangrijk doel binnen de transformatie van de gesloten jeugdhulp en het bijbehorende onderwijs is om de zorg voor jeugdigen in een kwetsbare situatie te verbeteren: liefdevolle zorg, passend bij hun zorgvraag, in een zo thuis mogelijke omgeving. In dat kader werken we toe naar zo dichtbij nul gesloten plaatsingen in 2030 als mogelijk. Het Rijk ondersteunt deze transformatie financieel en inhoudelijk. Daarnaast was de ambitie dat in 2025 alle gesloten jeugdhulpinstellingen kleinschalig zouden werken. Inmiddels hebben jeugdhulpaanbieders groepen verkleind en werken alle instellingen voor gesloten jeugdhulp met groepsgroottes van maximaal 6 jeugdigen. Daarbij zetten zij ook volop in op manieren van werken die erop gericht zijn om de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen zoveel mogelijk te beperken.
De laatste monitor van de Jeugdautoriteit laat zien dat er op 1 oktober 2025 405 jongeren verbleven in de gesloten jeugdhulp, versus 445 een jaar eerder. 18
De afbouw van de gesloten jeugdhulp neemt in tempo af en het aantal plekken lijkt te stabiliseren. Om het aantal plekken in de gesloten jeugdhulp verder af te kunnen bouwen, moet nog meer worden ingezet op het éérder passende hulp bieden aan jeugdigen en hun gezin om (gesloten) residentiële hulp waar mogelijk te voorkomen. Daarnaast moeten gemeenten en jeugdhulpaanbieders inzetten op het uitbreiden en doorontwikkelen van alternatieven voor gesloten jeugdhulp. Te denken valt aan intensieve ambulante hulp in de thuissituatie of kleinschalige (open) woonvormen waar de (intensiteit van) begeleiding die nodig is op- en afgeschaald kan worden, afhankelijk van wat een jeugdige nodig heeft. Daarbij is het ook van groot belang dat er wordt ingezet op een goede onderwijsplek, want juist het onderwijs geeft stabiliteit en biedt toekomstperspectief voor deze jeugdigen. Uit een inventarisatie van het ondersteuningsteam transformatie gesloten jeugdhulp blijkt dat de ontwikkeling van alternatieven in gang is gezet
maar zowel in kwaliteit als kwantiteit nog niet op het gewenste niveau is. In de praktijk ligt de nadruk vooral op (afspraken over) de afbouw van gesloten plaatsen. Het kost tijd en middelen om vanuit gemeenten, onderwijs en aanbieders gezamenlijk (nieuwe) vormen van zorg, begeleiding en onderwijs te ontwikkelen.
Ook met de afbouw van de gesloten jeugdhulp zullen er jeugdigen blijven voor wie vrijheidsbeperkende maatregelen soms noodzakelijk zijn om de zorg en veiligheid te bieden die nodig is als er sprake is van gevaar of onveiligheid. Daarom is, na gesprekken met jongeren, aanbieders en experts, het voornemen tot een wetswijziging aangekondigd om vrijheidsbeperking in de open residentiële setting, in lijn met de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) en de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) mogelijk te maken. 19,20 Alleen dan is het mogelijk om op termijn volledig te stoppen met de gesloten jeugdhulp. Bij dit traject staat voorop dat de rechten van jeugdigen gewaarborgd zijn. De wijziging gaat gepaard met veel inhoudelijke vraagstukken en dilemma’s. Zorgvuldigheid is daarom van groot belang. Om tot een verdere invulling van een voorstel tot wetswijziging te komen, is het voornemen om in de eerste helft van 2026 vervolggesprekken te organiseren met jongeren, ouders en verzorgers, professionals, jeugdhulpaanbieders en gemeenten. In deze dialoogsessies zal bijvoorbeeld worden besproken welke eisen dienen te worden gesteld aan jeugdhulpaanbieders en professionals, en welke maatregelen wel en niet moeten worden toegestaan in de open residentiële setting. Tevens zullen deze sessies zich richten op wat er nodig is aan professionalisering van de sector om in te zetten op het voorkomen van vrijheidsbeperking.
Tot slot zijn door ons aanbieders (Sterk Huis, Fier en Levvel) gevraagd een pilot uit te voeren om de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen te voorkomen, en om meer inzicht te verkrijgen in mogelijke omstandigheden waarin vrijheidsbeperking wel noodzakelijk is. Het betreft een onderzoek met groepen jeugdigen die voorheen veelal gesloten werden geplaatst, maar waar in deze pilot wordt beproefd hen te laten verblijven in een open residentiële jeugdhulpvoorziening. In deze open setting wordt samen met de jeugdige bekeken welke specifieke behandeling en maatregelen nodig kunnen zijn. Het gaat dan om specifieke maatregelen per jeugdige, op maat, waar de jeugdige toestemming voor heeft gegeven. Er mogen geen maatregelen tegen de wil van de jeugdige worden toegepast. De opbrengsten van de pilot zal ik meenemen in de voorbereiding van de wetswijziging.
De transformatie naar zorg in een zo thuis mogelijke situatie is niet alleen gaande binnen de gesloten jeugdhulp, maar ook in de open residentiële jeugdhulp. Zo sluiten meer jeugdhulpaanbieders zich aan bij de lerende beweging van de residentiële jeugdhulp: het consortium kleinschaligheid. Het consortium werkt aan verbeteringen van de jeugdhulp met behulp van een datamonitor, intervisiebijeenkomsten voor professionals én een team van ervaringsdeskundigen die onderzoek doen binnen groepen (Fly on the wall-project). Tot slot is er afgelopen jaar door het consortium een Kwaliteitskompas ontwikkeld dat onder andere het doel heeft om professionals handvatten te bieden om de kwaliteit van jeugdhulp te waarborgen, te verbeteren en te blijven leren en reflecteren. Dit kompas wordt geïmplementeerd in de deelnemende instellingen.21 Het consortium wordt financieel ondersteund door het ministerie van VWS.
Wetswijzigingen gesloten jeugdhulp
Op 19 juni 2025 heeft mijn voorganger twee voorgenomen wijzigingen aangekondigd voor de gesloten jeugdhulp, namelijk wijzigingen in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet. 22
Ten eerste een wijziging van het Besluit Jeugdwet om de eisen aan de ruimte waar jeugdigen zich op eigen verzoek terug kunnen trekken, te versoepelen en daarmee meer in lijn met de praktijk te brengen. Op dit moment zijn deze eisen voor de ruimte waar jeugdigen zich op eigen verzoek kunnen terugtrekken gelijk aan de vereisten voor de afzonderlijke en veilige ruimte waar jeugdigen in noodsituaties, tegen hun wil, mogen worden ingesloten. In de praktijk betekent dit dat de ruimte waar jeugdigen zich op eigen verzoek kunnen terugtrekken moet voldoen aan strikte veiligheidseisen. Dit kan belemmeringen geven om deze ruimte dusdanig in te richten dat jeugdigen zich er thuis voelen en kunnen ontspannen. Dit is onwenselijk. In overleg met jeugdigen, professionals en jeugdhulpaanbieders is daarom een wijziging uitgewerkt die we in het eerste kwartaal van 2026 in internetconsultatie willen brengen.
Ten tweede het voornemen om wettelijk toe te staan dat jeugdigen, onder zeer strikte voorwaarden, gedurende de nacht mogen worden ingesloten in hun kamer wanneer er een gegrond risico is dat zij een ernstig gevaar vormen voor andere jeugdigen en/of medewerkers. Het gaat dan om bedreigend en gewelddadig gedrag waardoor gevaarlijke situaties ontstaan, zoals seksueel grensoverschrijdend gedrag, afpersing of ronselen. Dit traject vereist grote zorgvuldigheid. De staatssecretaris van VWS is in overleg met gesloten jeugdhulpaanbieders, professionals én jeugdigen over de (strikte) wettelijke voorwaarden die hieraan moeten worden verbonden én om afspraken te maken om uitvoering te geven aan de motie van het lid Dobbe23 om de noodzaak tot insluiting te verminderen. Naar verwachting wordt uw Kamer hier voor de zomer nader over geïnformeerd.
Tot slot is uw Kamer in de brief van 19 juni 2025 toegezegd om met aanbieders van gesloten jeugdhulp in overleg te gaan hoe zij handelen indien zich een noodsituatie voordoet, maar zij niet beschikken over een veilige en afzonderlijke ruimte om in te sluiten (insluitingsruimte). De jeugdhulpaanbieders die geen insluitingsruimte hebben, kiezen hier zeer bewust voor. Dit doen zij vanuit een overtuiging dat het hebben van een dergelijke ruimte altijd, zelfs onbewust, effect heeft op medewerkers en de jeugdigen. Zij geven aan dat hun personeel getraind is in de-escalerend werken en dat er voldoende mogelijkheden zijn om oplopende spanningen bij jeugdigen te kunnen ondervangen. Uiteraard is niet te garanderen dat zich nooit een noodsituatie zal voordoen waarbij veiligheid in het geding is. Jeugdhulpaanbieders geven aan dat in een dergelijke uiterste situatie de politie wordt ingeschakeld. Dit is voor de jeugdige zelf, de andere jeugdigen én de medewerkers uiteraard een ingrijpend besluit. De afweging om geen ruimte voor insluiting in een noodsituatie in te richten, de gevolgen en effecten hiervan én randvoorwaarden die noodzakelijk zijn om in dat geval veiligheid te waarborgen dienen zeer weloverwogen en onderbouwd te worden genomen door de gesloten jeugdhulpaanbieder. Dit vraagt onder andere van de jeugdhulpaanbieder en medewerkers om continu te reflecteren op hun werkwijze, handelen en gevolgen daarvan opdat zij alle jeugdigen in de instelling de veiligheid en bescherming kunnen bieden die nodig is.
We verbeteren de kwaliteit van de jeugdzorg
Beroepsverenigingen, opleidingen en jeugdhulporganisaties werken in de praktijk voortdurend aan het verbeteren van kwaliteit van de jeugdhulp. Het is belangrijk te blijven investeren in de verbetering van de kwaliteit en effectiviteit van de jeugdhulp: jeugdhulp moet daadwerkelijk bijdragen aan de vermindering van ervaren problematiek. Het gaat er daarbij om de combinatie van werken vanuit gelijkwaardigheid in een betekenisvolle relatie met gebruik van diverse vormen kennis en actuele standaarden. Daartoe is – zoals afgesproken in de Hervormingsagenda – de werkorganisatie Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) opgericht. In KBL werken de perspectieven van jongeren en ouders, professionals, jeugdhulporganisaties, wijkteams, gemeenten, kennis, onderzoek en innovatie met elkaar samen.
Een grote prestatie is de totstandkoming van een gezamenlijk gedragen agenda: de Leeragenda Kwaliteit en Blijvend Leren24. Deze is op 10 december jl. gelanceerd en bevat de prioriteiten van het gehele KBL-netwerk de komende jaren. De Leeragenda heeft vijf overkoepelende thema’s; jeugdhulp die werkt, samenwerken met gezin en alle betrokkenen onderling, de sociale basis, kwaliteit en leren in lokale teams en lerend werken aan transformatie residentiële jeugdhulp.
Deze thema’s zijn uitgewerkt in leerlijnen. Voor een aantal leerlijnen wordt voortgebouwd op bestaande ervaringen en initiatieven en daarmee kan op korte termijn voortgang worden geboekt. De zes leerlijnen waarmee gestart is, zijn:
Versterken grondhouding. Deze leerlijn richt zich op het versterken van vakmanschap en grondhouding van professionals in het jeugdveld. De focus ligt op werkzame elementen van jeugdhulp zoals goed luistern en samen beslissen.
Implementatiekracht in organisaties vergroten met als doel zowel de organisatiecultuur als -structuur te verbeteren.
Verklarend analyseren. Om de gedeelde verklarende analyse beter toe te passen en verder te verbeteren als basis voor jeugdhulp.
Informele steun; versterken van informele steun voor gezinnen.
StroomOpwaarts leren. StroomOp is een netwerk van jeugdhulp en onderwijsprofessionals dat zich inzet voor eerdere, snellere en beter passende hulp voor jongeren en hun ouders, in een liefdevolle, stabiele en veilige omgeving en waar de hulp bij voorkeur thuis wordt geboden.
Lerende beweging pleegzorg. Deze leerlijn richt zich op het versterken en uitbreiden van de Lerende beweging pleegzorg, samen met betrokken partners en experts.
In de Hervormingsagenda staat ook de afspraak om te komen tot een kwaliteitskader Brede Analyse. Associatie Wijkteams, VNG, OZJ en KBL hebben dit opgepakt en hebben hiertoe een visie Breed kijken, breed handelen opgesteld. Deze zal in bestaande richtlijnen en het convenant stevige lokale teams worden verwerkt door de betrokken partijen.
Er is gestart met de ‘Beter doen, beter laten, beter onderzoeken lijst’. Deze lijst draagt bij aan het verbeteren van de kwaliteit en effectiviteit van jeugdhulp door inzicht te geven in: 1) wat werkt, 2) wat niet werkt, en 3) wat beter onderzocht moet worden. Er wordt gewerkt met een systematiek die ook in andere zorgsectoren is benut. In de eerste helft van 2026 worden hierover onder andere dialoogsessies gehouden met professionals.
Tot slot is KBL gestart met het traject ‘Gedragen Fundament’ om te komen tot een gezamenlijk gedragen kwaliteitsstandaard die bijdraagt aan betere kwaliteit voor jongeren en gezinnen, en professionals en organisaties ondersteunt in hun werk. In het tweede kwartaal van 2026 zullen de contouren gereed zijn.
Versterken sturingsinformatie
Op basis van afspraken in de Hervormingsagenda en in lijn met het advies van de Deskundigencommissie werken wij aan het verbeteren van het inzicht in het jeugdstelsel. Cijfermatig inzicht is essentieel om beter te kunnen sturen op de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid binnen het jeugdzorgstelsel en in relatie tot de aanpalende domeinen; landelijk, regionaal en lokaal. Naar aanleiding van de oproep van de Deskundigencommissie om data en monitoring beter op orde te brengen, intensiveren wij de afspraken die hierover al in de Hervormingsagenda zijn gemaakt.
In dit kader zetten wij in op:
Centrale monitor: Om structureel beter inzicht te krijgen in het functioneren van het jeugdstelsel, richten wij volgens afspraken in de Hervormingsagenda een centrale monitor van het jeugdstelsel in en verbeteren wij via verschillende trajecten de beschikbaarheid en kwaliteit van data. Omdat deze trajecten veelal gepaard gaan met een wetswijziging of lagere regelgeving, kosten deze stappen tijd.
Combinatie van lokale data en landelijke onderzoeken: om ook op kortere termijn inzichten te verkrijgen, zetten wij in op het beter gebruik maken van lokale data en zetten wij aanvullende onderzoeken uit om landelijk een beter beeld te krijgen. In aanvulling hierop is, om beter inzichtelijk te maken hoe de hoofdbewegingen van de Hervormingsagenda (conform de prioritaire lijnen in de Routekaart) zich ontwikkelen, een beperkte selectie van indicatoren samengesteld.
In de voortgangsbrief van juni 2025 hebben wij u geïnformeerd over de verschillende stappen die zijn gezet om structureel het inzicht in het jeugdstelsel te verbeteren. In aanvulling op deze stappen hebben wij in het kader van de centrale monitor van het jeugdstelsel met partijen gezamenlijk vastgesteld wat we landelijk willen weten (een set indicatoren) en de opdracht voor het opzetten van de data-infrastructuur bij het CBS belegd. Het CBS gaat vanaf 2026 in een groeimodel bouwen aan openbare statistieken waarin beschikbare data wordt samengebracht, alsook een interactief dashboard waarop de data visueel kan worden ontsloten. Voor de periodieke duiding van de gegevens wordt verkend welke onafhankelijke partij dit kan verzorgen. Verder zetten wij komend jaar in op nadere stappen ter verbetering van de centrale databronnen.
Stand van zaken van het Toekomstscenario
De noodzaak van een beter stelsel van kind- en gezinsbescherming blijft onverminderd groot. Het werken aan een betere kind- en gezinsbescherming met het Toekomstscenario is een urgente en complexe opgave waar we samen voor staan. Deze urgentie kwam ook tot uitdrukking in het debat met uw Kamer op 4 december jl. over de rapporten ‘Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel’ van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en ‘Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt’ van de Inspectie Justitie en Veiligheid.
In de afgelopen periode hebben wij intensieve gesprekken gevoerd met alle betrokken partners om te komen tot een veranderstrategie en de manier waarop we daarbij willen samenwerken. Het betreft een veranderstrategie binnen de huidige financiële kaders25. Alle betrokken partijen willen het verschil maken voor kinderen en volwassenen die thuis niet veilig zijn. Om het Toekomstscenario te realiseren, zijn naast een effectieve aanpak van de actuele problemen ook vernieuwende, duurzame oplossingen nodig. Daarom werken we nu met alle partners concrete veranderstappen uit, die we op korte en langere termijn voor ons zien en wie daarbij wat te doen heeft, ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid en deskundigheid.
We geven invulling aan de vier pijlers van het Toekomstscenario: eenvoudig, gezinsgericht, rechtsbeschermend & transparant en lerend met als stip op de horizon de gekozen ontwikkelrichting, waarbij we toewerken naar stevige lokale teams die gezinsgericht werken aan veiligheidsvraagstukken en ondersteund worden op de meer complexe vraagstukken rond veiligheid vanuit een regionaal veiligheidsteam. Vanuit een lerende omgeving monitoren we de effecten van de stappen die we de komende jaren gaan zetten. Waar nodig leidt dat tot aanpassing van de ontwikkelrichting. Alle partijen voelen de drive om vanuit de nieuw strategie en samenwerking het transitieproces in te stappen en zo snel mogelijk vooruitgang te boeken binnen de deelopgaven die we binnen het Toekomstscenario (gaan) aanpakken en te werken aan verbeteringen voor de gezinnen en huishoudens die het aangaat. Het streven is om de veranderstrategie
voorjaar 2026 vast te stellen. Hierover zullen we uw Kamer ook informeren. Op basis van de veranderstrategie wordt een aangepast programmaplan opgesteld met verschillende deelopgaven, dat regelmatig wordt bijgesteld.
Ondertussen werken tien proeftuinen in 2026 door aan het ontwikkelen en testen van de nieuwe manier van systeem- en gezinsgericht werken. Hierover kunt u meer lezen in bijgevoegde voortgangsrapportage van het Toekomstscenario. De ervaringen van gezinnen en huishoudens die meedoen in de proeftuinen zijn over langere periode positief. Gezinnen en huishoudens voelen zich gehoord en gezien en geven aan meer regie te hebben. Dit leidt tot betere samenwerking met professionals en wat nodig is om tot oplossingen te komen. Professionals ervaren meer werkplezier door onder andere kortere lijnen in de samenwerking en kunnen sneller schakelen met verschillende expertises. Op peildatum 30 juni 2025 was er actieve betrokkenheid bij in totaal 1.277 huishoudens vanuit tien proeftuinen. In totaal (cumulatief) is er vanaf 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2025 betrokkenheid (geweest) bij totaal 2.236 gezinnen en/of huishoudens.26 Binnen deze gezinnen en/of huishoudens is op peildatum 30 juni 2025 in totaal 295 keer een juridische maatregel ingezet via de proeftuinen. Dit is 13% en is nagenoeg gelijk aan het percentage van de vorige meting (12%) op 31 december 2024. De volgende maatregelen zijn meegeteld: ondertoezichtstelling, gezag beëindigende maatregel, huis- en contactverbod en reclasseringsmaatregel. De proeftuinen zijn in deze situaties actief betrokken bij de totstandkoming van of toeleiding naar deze inzet. De inzet van gedwongen maatregelen afgezet tegen het aantal ondersteunde gezinnen en huishoudens, verschilt per proeftuin.27
Ondanks de overwegend positieve ervaringen van gezinnen, huishoudens en professionals zijn er zorgen over het voortbestaan van de proeftuinen. De hiervoor genoemde veranderstrategie, die ook met proeftuinen wordt ontwikkeld, moet de duidelijkheid weer bieden en ervoor zorgen dat proeftuinen en beproevende regio’s door kunnen. Het is van essentieel belang dat we werkenderwijs en al lerende van de nieuwe praktijk in de regio’s en proeftuinen leren, en steeds weer opnieuw met elkaar kunnen kijken wat werkt, wat de volgende stappen zijn en waar we moeten bijstellen. De financiële ondersteuning van de proeftuinen loopt in elk geval door tot eind 2026.
Overige ontwikkelingen jeugdbescherming
4.1. Verbeteren van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming
Voortgang wetstraject ‘Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming’
Met het wetsvoorstel ‘Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming’ (hierna: wetsvoorstel) wordt de rechtsbescherming van ouders en kinderen die te maken krijgen met een kinderbeschermingsmaatregel versterkt. De consultatiefase liep tot en met 19 maart 2025; er zijn meer dan 80 reacties ontvangen en verwerkt. Momenteel wordt nog met partners in de keten afgestemd over de uitvoeringsgevolgen. In het debat van 4 december jl. over de inspectierapporten Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel en Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (JenV) aangekondigd dat het wetsvoorstel begin 2026 aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden voorgelegd. Uw Kamer ontvangt het wetsvoorstel naar verwachting na de zomer van 2026.
Actionplan n.a.v. de EHRM-uitspraak Van Slooten t. Nederland
Op 15 april 2025 oordeelde het EHRM dat de beëindiging van het ouderlijk gezag van een moeder over haar jonge dochter in strijd was met artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van het gezins- en familieleven). Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de Voortgangsbrief Jeugdbescherming van 16 juni 2025.28 Op 15 januari 2026 is het action plan met maatregelen om vergelijkbare schendingen in de toekomst te voorkomen, naar het Comité van Ministers van de Raad van Europa gestuurd. Het plan beschrijft verschillende ontwikkelingen in de jeugdbescherming, waaronder de hernieuwde focus op terugplaatsing van kinderen, bijvoorbeeld door de in 2023 herziene Richtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing, en een gewijzigd perspectief op gezagsbeëindiging. Ook wordt gerapporteerd over de toegenomen aandacht voor rechtsbescherming en het lopende wetstraject ‘Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming’.
Kwaliteit van de besluitvorming in de jeugdbescherming
Zorgvuldige dossiervorming en het goed meenemen van ouders in de besluitvorming staan centraal in het gezamenlijke traject van Veilig Thuis (VT), Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en Gecertificeerde Instellingen (GI’s) om de kwaliteit van het feitenonderzoek te verbeteren. Momenteel wordt een vervolgstap gezet in de ontwikkeling van een monitoringsinstrument dat organisaties inzicht geeft in de kwaliteit van de uitvoering van het feitenonderzoek. Naar verwachting is dit instrument in het voorjaar van 2026 klaar om gebruikt te worden.
Een tweede traject dat bijdraagt aan de kwaliteit van de besluitvorming is het traject over deskundigenonderzoek in de jeugdbescherming. Tot halverwege 2025 is verkend hoe de beschikbaarheid van deskundigenonderzoek en beslisdiagnostiek beter kan worden geborgd, mede naar aanleiding van het voornemen van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie Psychologie (NIFP) om te stoppen met haar bemiddelende rol in familierechtelijke procedures. Naar aanleiding van de verkenning wordt voorgesteld om de beschikbaarheid van deskundigenonderzoek via vier sporen nader uit te werken:
De beschikbaarheid van gedragswetenschappelijke analyse en beslisdiagnostiek binnen GI’s.
De beschikbaarheid van second opinions, uitgevoerd door en consultatie tussen GI’s.
De ontwikkeling van een landelijke voorziening voor hooggespecialiseerde beslisdiagnostiek, als alternatief voor het NIFP.
Een landelijk en verplichtend beleidskader voor familierechtelijk onderzoek en beslisdiagnostiek.
Begin 2026 worden voor een periode van één jaar twee projectleiders aangesteld die de eerste drie sporen nader uitwerken: één voor de sporen 1 en 2 en één voor spoor 3. Doel van sporen 1 en 2 is het versterken van de beslisdiagnostiek binnen en tussen GI’s, zodat gespecialiseerde gedragswetenschappelijke kennis eerder en beter beschikbaar komt voor ouders en kinderen die vanwege complexe gezinsproblemen dreigen vast te lopen in de jeugdbescherming. Doel van spoor 3 is om te bepalen welke partij het meest geëigend is om de landelijke voorziening voor hooggespecialiseerde beslisdiagnostiek te organiseren. Deze voorziening moet gaan voorzien in hooggespecialiseerde beslisdiagnostiek voor zaken die niet binnen of tussen GI’s (in het kader van een second opinion) kunnen worden onderzocht, en daarnaast in onderzoeken op grond van artikel 810a lid 2 Rv (contra-expertise). Het beleidskader (spoor 4) vormt het sluitstuk van de uitwerking.
Hoorrecht van minderjarigen in het jeugd- en familierecht
Op 17 december jl. heeft de staatssecretaris van JenV uw Kamer het advies ‘Grondslagen van kindvriendelijke juridische procedures in het civiele familie- en jeugdrecht’ aangeboden van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ).29 De RSJ concludeert dat verbeteringen nodig zijn om een uniformere werkwijze na te streven in de uitvoering van kindvriendelijke procedures.30 De RSJ noemt in haar advies zes grondslagen waaraan de rechtspraktijk zou moeten voldoen: 1) het adequaat informeren van kinderen, 2) de toegang tot steunfiguren, 3) de aanpassing van de fysieke setting, 4) het meewegen van de stem van het kind in de beslissing, 5) de terugkoppeling van de beslissing aan het kind, en 6) de specialisatie van professionals.
De staatssecretaris van JenV bedankt de RSJ voor het advies, waarin terecht aandacht wordt gevraagd voor de positie van kinderen in juridische procedures in het familie- en jeugdrecht. De afgelopen periode heeft de staatssecretaris van JenV gesprekken gevoerd met de rechtspraak over de wijze waarop juridische procedures kindvriendelijker en op een meer uniforme wijze gevoerd kunnen worden. De rechtspraak is hier volop mee aan de slag en heeft daarbij ook kennis genomen van het RSJ-advies. De rechtspraak onderschrijft het RSJ-advies en neemt dit advies mee in het verder kindvriendelijker maken van de rechtspraak. Verschillende verbeteringen zijn in gang gezet.
Vanaf 1 juli 2025 worden kinderen vanaf 8 jaar uitgenodigd voor een gesprek met de rechter (kindgesprek). De afgelopen periode waren er diverse pilots met het horen van kinderen vanaf 8 jaar. De ervaringen waren positief, wat heeft geleid tot het verlagen van de leeftijdsgrens van 12 naar 8 jaar. Het streven daarbij is, zoals dit bij veel gerechten al het geval is, om de kinderen op een andere dag te spreken dan de dag waarop de zitting van de ouders plaatsvindt. De rechtspraak werkt tevens aan kindvriendelijke (wacht)ruimtes bij alle rechtbanken. Daarbij is aandacht voor een kindvriendelijke omgeving en het hebben van voldoende tijd voor het voeren van het gesprek met het kind. Daarnaast is in het kader van het onderzoeksprogramma van de Raad voor de rechtspraak onderzoek verricht naar de wenselijkheid en meerwaarde van digitale kindgesprekken en wordt medewerking verleend aan een groot, meerjarig onderzoeksproject van de Universiteit Utrecht, gericht op jongerenparticipatie (in echtscheidingszaken). Hiermee geeft de staatssecretaris van JenV uitvoering aan de motie van het lid Bruyning (NSC) en Ceder (CU) om hier gezamenlijk met de rechtspraak zorg voor te dragen.31 Verder is de rechtspraak bezig om de informatievoorziening aan kinderen te verbeteren, afgestemd op de leeftijd en de ontwikkelingsfase van het kind. Zo heeft de Rechtspraak een website (rechtvoorjou.nl) waar voor kinderen toegankelijke informatie te vinden is over juridische procedures. Ook is hier een video te vinden over hoe een kindgesprek verloopt. Het is de bedoeling van de rechtspraak om volgend jaar voor elke locatie een eigen video te maken van de gang van zaken rond het kindgesprek, zodat kinderen zich daarop kunnen voorbereiden door de betreffende video te kijken. Ook lopen inmiddels bij enkele gerechten pilots rond de ontvangst van kinderen door speciaal daarvoor aangewezen medewerkers, zodat kinderen adequaat begeleid worden in het gebouw. Bij een positieve evaluatie van deze pilots zullen mogelijk meer gerechten vergelijkbare initiatieven invoeren.
Voor de ondersteuning van het kind tijdens procedures gezag- en omgang en kinderbeschermingsprocedures heeft adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) op verzoek van de staatssecretaris van JenV verschillende typen steunfiguren in kaart gebracht. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Westerveld (Groenlinks-PvdA).32 Dit rapport biedt de staatssecretaris van JenV hierbij aan uw Kamer aan.33 Het onderzoek geeft een overzicht van de behoeften aan ondersteuning die kinderen hebben en beschikbare vormen van ondersteuning. Uit het onderzoek blijkt dat kinderen behoefte kunnen hebben aan uiteenlopende vormen van ondersteuning. Geen enkele steunfiguur kan in alle situaties in alle behoeften voorzien. AEF adviseert daarom een netwerkbenadering: een goed functionerend geheel van ondersteuningsvormen, zodat voor ieder kind iets beschikbaar is dat aansluit bij zijn of haar situatie. In de huidige praktijk mag een kind overigens zich al bij het uitoefenen van het hoorrecht laten bijstaan door een zelf uitgekozen persoon. In het wetsvoorstel wordt deze mogelijkheid bekrachtigd. Ook kan de rechter binnen het huidige juridische kader een bijzonder curator benomen die de minderjarige bijstaat.
Reactie op burgerbrief
Tot slot heeft de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid op 27 november jl. gevraagd om een reactie op een door haar ontvangen burgerbrief over het recht op omgang tussen ouder en kind tijdens een uithuisplaatsing. De brief bepleit het wettelijk vastleggen van het recht op omgang tijdens een uithuisplaatsing en voor het zo spoedig mogelijk instellen van een Staatscommissie Jeugdzorg.
In reactie hierop geeft de staatssecretaris van JenV aan dat omgang na uithuisplaatsing in het wetsvoorstel een prominente plek krijgt, bijvoorbeeld doordat de jeugdbeschermer zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de uithuisplaatsing een omgangsplan moet opstellen. Indien dit niet lukt, zal de rechter beslissen. Ook ouders krijgen in dat kader laagdrempelig toegang tot de rechter. Daarnaast streven wij ernaar om begin 2026 een staatscommissie in te stellen die adviseert over de legitimiteit van overheidsingrijpen in de jeugdzorg.
4.2. Reactie op onderzoek Meldpunt Jeugdbescherming Noord
Op 2 oktober 2025 verzocht de vaste commissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ons om een reactie te geven op het onderzoek ‘Niet gehoord en niet gezien’ van het Meldpunt Jeugdbescherming Noord (uw kenmerk: 2025Z18332).
Stand van zaken Jeugdbescherming Noord
Op 16 september 2025 heeft het Keurmerk Instituut (KMI) besloten dat Jeugdbescherming Noord (JBN) aan de wettelijke vereisten voldoet om het certificaat terug te krijgen voor het uitvoeren van jeugdbeschermingstaken. Dit certificaat was eerder geschorst vanwege een aantal kritische punten op de onderdelen wachtlijsten, contact binnen 5 dagen en de risicotaxatie. JBN staat nog steeds onder verscherpt toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). In februari 2026 verwacht de IGJ dat JBN de noodzakelijke verbeteringen heeft doorgevoerd.
Het KMI toetst op basis van andere kaders dan de IGJ. Het KMI toetst onder andere of de interne procedures op orde zijn op basis van het normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering, of er zicht is op veiligheid en of dossiers navolgbaar zijn. Verder ziet het KMI toe op een goed werkend kwaliteitssysteem. De inspecties houden zicht op de uitvoering van jeugdbescherming en -reclassering en de kwaliteit van zorg in de praktijk en handhaven indien daartoe aanleiding is.
Kern van het onderzoek
Het rapport van het meldpunt JBN schetst een indringend beeld van de ervaringen van de betrokken melders met JBN. Dit onderzoek is gebaseerd op gesprekken en casusbeschrijvingen die voortkomen uit meldingen bij het Meldpunt JB Noord. Het beeld dat naar voren komt uit het rapport is helaas niet nieuw. Veel constateringen komen overeen met de uitkomsten van het inspectierapport34.
De belangrijkste conclusies van het rapport waren:
Het functioneren van JBN als organisatie is onvoldoende. Het gaat dan om communicatie, besluitvorming, de vele wisselingen van jeugdbeschermers (continuïteit), de cultuur en het invullen van samenwerking met andere organisaties binnen het jeugdzorgsysteem.
Ouders ervaren onvoldoende rechtsbescherming. Klachtenprocedures functioneren niet en beslissingen van de rechter worden niet goed uitgevoerd. Ouders geven aan dat ze niet goed gehoord worden, onveiligheid en dreiging ervaren en gebrek aan transparantie.
De onderzoekers geven aan dat er geen goed systeem van toezicht is, dat er onvoldoende checks and balances zijn in de keten en dat het KMI en de inspecties daar onvoldoende op bijsturen.
Tot slot benadrukken de onderzoekers de noodzaak om het jeugdzorgsysteem anders in te richten waarbij er beter en tijdiger gehandhaafd moet worden in de keten. In de rapportage wordt op meerdere plaatsen aangegeven dat het jeugdzorgsysteem een lerend stelsel moet worden waarin de belangen van ouders en jeugdigen een centrale plek hebben en jeugdbescherming dichter bij huis wordt georganiseerd. De governance van de jeugdbescherming moet opnieuw worden ingericht en de rechtsbescherming van ouders en kinderen moet worden versterkt.
Reactie op het onderzoek
De uitkomsten van het rapport van het meldpunt JBN laten onder andere zien dat veel ouders zich niet gezien en gehoord voelen en dat het werk van JBN beter moet. Ook laten zowel het inspectierapport van 25 september 2025 als het rapport van het meldpunt zien hoe complex het is om in het versnipperde jeugdzorgsysteem oplossingen te vinden. Voor deze oplossingen zijn het Rijk, de gemeenten en JBN gezamenlijk aan zet.
JBN heeft aangegeven hard te werken aan een herstel- en verbetertraject dat ertoe moet leiden dat jeugdigen en gezinnen in alle gevallen de ondersteuning krijgen waar zij recht op hebben. Het KMI heeft in september 2025 een certificaat verstrekt aan JBN. JBN heeft meer jeugdbeschermers aangetrokken, voert de maatregelen weer voldoende tijdig uit en de sturing is aantoonbaar effectiever. Door organisatorische problemen is de uitvoering van de klachtenprocedure in het verleden niet altijd goed verlopen. JBN heeft een brede uitnodiging gedaan aan cliënten om zich te melden en heeft geïnvesteerd in capaciteit voor het voeren van oplossingsgerichte gesprekken. Zij voeren gesprekken met de mensen die zich hebben gemeld om te kijken wat er in hun geval anders en beter kan. Daarnaast geeft JBN aan ook de stem van ouders en kinderen beter te betrekken bij de stappen die zij zet met het verbeterplan dat JBN heeft opgesteld op basis van de constateringen van het inspectierapport. Daarover is JBN in gesprek met cliënten, de inspecties, de cliëntenraad en ervaringsdeskundigen en hun input zal worden meegenomen in het verbeteren van het herstelplan van JBN. JBN geeft tot slot aan dat de problemen in de organisatie al meerdere jaren spelen en dat het tijd kost om duurzaam te herstellen.
De gemeenten in Drenthe en Groningen geven aan hard bezig te zijn met het ontwikkelen van een passende aanpak waarmee jeugdigen wél de bescherming, begeleiding en hulp gaan ontvangen die ze nodig hebben. Middels een stuurgroep sturen zij samen met JBN op de voortgang en de stappen die worden gezet. De gemeenten financieren aanvullende uitvoeringscapaciteit. Daarnaast wordt er door de gemeenten gewerkt aan maatregelen om de beschikbaarheid van passende gespecialiseerde jeugdhulp voor jeugdigen te verbeteren. Zij hebben afspraken gemaakt met een aantal systeem aanbieders dat zij hun ambulante specialistische aanbod met voorrang inzetten voor de doelgroep van JBN. Ook werken de gemeenten aan oplossingen voor de langere termijn die beproefd worden in de proeftuinen Groningen/Drenthe in het kader van het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming.
Een van de bevindingen in het rapport is dat klachtenprocedures onvoldoende functioneren en dat ouders deze procedures veelal als zinloos ervaren “Het patroon is steeds hetzelfde: de klacht wordt geregistreerd, er wordt begrip getoond, maar een inhoudelijke uitkomst blijft uit (blz. 48).” Deze signalen herkennen wij. Daarom hebben wij in 2025 een onderzoek uit laten voeren naar klachtbehandeling in het jeugdzorgdomein. Het rapport ‘Onderzoek klachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorgdomein’ is bij brief van 17 december 202535 aan uw Kamer toegezonden. De komende periode gaan we de aanbevelingen die daarin zijn gedaan nader bestuderen en bespreken met betrokken organisaties. In het voorjaar van 2026 informeren we uw Kamer via de reguliere jeugdzorgbrief over de voortgang van de te zetten stappen.
Een andere bevinding uit het rapport is dat rechterlijke uitspraken niet altijd worden opgevolgd. Uit het rapport komt het beeld naar voren dat ouders zich aan de ene kant erkend voelen wanneer een rechter hun klachten serieus neemt, maar tegelijkertijd ervaren dat deze erkenning niet leidt tot verandering. De rechtspraak herkent het beeld dat uitspraken niet altijd worden opgevolgd en geeft aan dat verschillende factoren hieraan bijdragen, bijvoorbeeld wachttijden voor een vaste jeugdbeschermer en het tekort aan jeugdhulp. In het debat van 4 december jl. over de inspectierapporten Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel en Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt is de motie van de leden van der Plas (BBB) en Coenradie (JA21) aangenomen, waarin de regering wordt verzocht om in de gesprekken over de verbetering van het stelsel de kinderrechter goed te betrekken.36 Wij zeggen uw Kamer hierbij toe dat wij bij de gesprekken over de verbetering van het stelsel, de kinderrechter nauw zullen betrekken. Wij verwijzen u graag naar de passage over de veranderstrategie van het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. In de veranderstrategie wordt uiteengezet op welke manier we de komende jaren het jeugdzorgstelsel gaan verbeteren.
Ons streven is de acties die voortvloeien uit de reactie op de hiervoor genoemde rapporten en de acties die uit de veranderstrategie voortkomen in het voorjaar van 2026 samen te nemen. Op deze manier blijft de inzet richting jeugdbescherming op korte en lange termijn overzichtelijk.
Daarnaast verwijst de staatssecretaris van JenV uw Kamer graag naar de passage rechtsbescherming onder 3.1, waarin onder andere wordt ingegaan op de voortgang van het wetsvoorstel rechtsbescherming in de jeugdbescherming, de initiatieven op het gebied van feitenonderzoek en het verbeteren van de kwaliteit van de besluitvorming.
Tot slot
Er zijn stevige keuzes nodig om te zorgen dat het gebruik van jeugdzorg in Nederland vermindert en mede daarmee dat jeugdzorg beschikbaar is voor de kinderen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het is van groot belang dat we het jeugdzorgstelsel houdbaar maken voor de toekomst. Het verbeteren van hulp en bescherming aan gezinnen en huishoudens die in een onveilige situatie verkeren blijft daarbij een onverminderd grote uitdaging. De overheden, Rijk en gemeenten, hebben hier hun verantwoordelijkheid te nemen. Het is aan het nieuwe kabinet om hier uitwerking aan te geven samen met de VNG. Gelijktijdig is dit een opgave voor alle partijen die werkzaam zijn in de jeugdzorg en een opdracht aan de samenleving als geheel. Alleen samen kunnen we de opvoed- en opgroeiomgeving van kinderen verbeteren, zodat zij gezond, weerbaar en veilig kunnen opgroeien en om leren gaan met uitdagingen in het leven.
Hoogachtend,
de staatssecretaris Jeugd, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Preventie en Sport,
Judith Zs.C.M. Tielen mr. A.C.L. Rutte
Bijlage 1 - Overige onderwerpen
Nationale Jeugdstrategie
Op 17 mei 2024 heeft het kabinet toegezegd samen met jongeren te werken aan een Nationale Jeugdstrategie37, om zo te borgen dat jongeren betekenisvolle inspraak krijgen in beleid op thema’s die hun leven raken. De Nationale Jeugdraad (NJR) heeft, als eerste stap in het ontwikkelen van deze strategie, tussen september 2024 en september 2025, met financiering van het ministerie van VWS, het grootste jongerenparticipatietraject in Nederland tot nu toe georganiseerd. Via gewogen loting is een jongerenregiegroep samengesteld die representatief is voor de jongeren in Nederland, divers naar leeftijd, gender, opleiding, regionale spreiding en migratieachtergrond.
Deze jongerenregiegroep heeft de thema’s voor de Nationale Jeugdstrategie vastgesteld, waarna jongeren uit zowel Europees als Caribisch Nederland hun visie daarop hebben kunnen geven. In totaal hebben ruim 12.000 jongeren input geleverd. Op basis hiervan is op 4 september 2025 het Ontwerp voor de Nationale Jeugdstrategie38 gepresenteerd. Het kabinet spreekt grote waardering uit voor alle jongeren die aan dit traject hebben bijgedragen.
Op 13 oktober 2025 hebben de minister van OCW en de staatssecretarissen van VWS, OCW en SZW de NJR, de SER, het NJi en een deel van de jongerenregiegroep ontvangen in het Catshuis. Tijdens deze bijeenkomst is toegezegd dat het kabinet passende opvolging zal geven aan het Ontwerp voor de Nationale Jeugdstrategie door de komende maanden te werken aan een jeugdconvenant. In dit convenant legt het kabinet vast, hoe opvolging wordt gegeven aan het Ontwerp en in het bijzonder op welke wijze betekenisvolle jongerenparticipatie structureel geborgd en gemonitord wordt. Ontwikkeling van het convenant gebeurt in cocreatie met jongeren en sociale partners. De Kamer wordt voor de zomer van 2026 geïnformeerd over de voortgang.
Reactie op rapport 'Verlangen 5 - Sterke Partnerrelaties: Versterk liefdevolle en veilige partnerrelaties in Nederland’
Zoals u heeft verzocht in uw brief van 4 december jl. van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), ontvangt u een reactie op het rapport ‘Verlangen 5 - Sterke Partnerrelaties: Versterk liefdevolle en veilige partnerrelaties in Nederland’.39
Het rapport ‘Verlangen 5 - Sterke Partnerrelaties: Versterk liefdevolle en veilige partnerrelaties in Nederland’ vraagt breed aandacht voor het opbouwen van gezonde relaties, het goed verloop van eventuele scheiding en het voorkomen van geweld in relaties. We zijn de opstellers van het rapport erkentelijk voor de inzichten. Het rapport raakt aan meerdere beleidsterreinen.
In de brief over complexe scheidingen van 3 oktober jl. is uw Kamer geïnformeerd over de stappen die het kabinet zet op complexe scheidingen en hoe we samen met betrokken partners werken aan de ondersteuning aan gezinnen.40 Daarbij wordt onder meer ingezet op het verspreiden en ontsluiten van goede voorbeelden bij gemeenten. Verder is er in het handelingskader, dat op dit moment ontwikkelt wordt in het toekomstscenario kind- en gezinsbescherming aandacht voor complexe scheidingen. Een scheiding kan ingrijpende gevolgen hebben voor kinderen. Wanneer ouders uit elkaar gaan is het belangrijk dat zij dit op een goede manier doen. Ouders zijn daarbij in de eerste plaats zelf primair verantwoordelijk voor een goed verloop van de scheiding. Wanneer het ouders niet lukt om hier zelf op een goede manier uit te komen, kan bij een complexe scheiding ondersteuning nodig zijn.
Daarnaast is op 18 december jl. de voortgangsbrief aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling aan uw Kamer verzonden, waarin het kabinet uiteenzet hoe wordt gewerkt aan het versterken van de aanpak op huiselijk geweld en kindermishandeling, en de aanpak van geweld tegen vrouwen /femicide.41
Rapport Gezinshuizen
Bij deze brief ontvangt u het rapport ‘Gezinshuizen in Nederland, cijfers in 2025’ en de bijbehorende ‘Factsheet gezinshuizen’ met cijfers over het aantal gezinshuizen in Nederland. Het onderzoek van Significant Public in opdracht van het Ministerie van VWS betreft een uitvraag onder zelfstandige gezinshuizen en een uitvraag bij zorgaanbieders met gezinshuizen waarvan de gezinshuisouders in loondienst zijn bij deze aanbieder. Het doel van het onderzoek was om inzicht te verkrijgen in het aantal gezinshuizen in Nederland, de landelijke spreiding, het aantal kinderen dat in een gezinshuis verblijft en een aantal specifieke kenmerken van de gezinshuizen. De resultaten van dit onderzoek treft u aan in het rapport en in de bijgevoegde factsheet. We zien in de cijfers dat het aantal gezinshuizen in Nederland sinds 2020 licht is gestegen; van 979 gezinshuizen in 2020 tot 1052 gezinshuizen in 2025.
Bijlage 2 - Afdoening moties en toezeggingen
Diverse moties en toezeggingen inzake pleegzorg
Verzoek van het lid Struijs om delen samenvatting inspectierapporten
Tijdens het debat van 4 december 2025 over de inspectierapporten
Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel en Als zelfs
overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt heeft de
staatssecretaris van VWS toegezegd om schriftelijk terug te komen op het
verzoek van dhr. Struijs om een geanonimiseerde samenvatting van de
rapporten van individuele medewerkers met de Kamer te delen.
De IGJ mag over het onderzoek naar individuele medewerkers geen
informatie delen en ook geen rapport of samenvatting openbaar maken,
omdat zij is gebonden aan het afgeleide medisch beroepsgeheim.
Onderzoeken naar individuele medewerkers zijn dan ook uitgezonderd van
openbaarmaking. De IGJ kan wel bekendmaken dat aan een aantal
medewerkers is gevraagd een verbeterplan in te dienen. Ook is er één
tuchtklacht ingediend.
Motie van het lid Van der Werf (D66) over op korte termijn de aanbevelingen van de inspecties uitvoeren42
Deze motie is afgedaan in de brief die uw Kamer heeft ontvangen voorafgaand aan het debat van 4 december 2025 over de inspectierapporten Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel en Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt43.
Motie van de leden Coenradie (JA21), Straatman (CDA) en El Abassi (DENK) over een breed plan van aanpak rondom de arbeidsmarktproblematiek in de pleegzorg44
De motie roept op om te komen met een breed plan van aanpak voor de arbeidsmarktproblematiek in de pleegzorg. Graag wil ik aangeven dat het aanpakken van de personeelskrapte prioriteit heeft. Er is al een specifieke arbeidsmarkt aanpak zorg- en welzijn breed (inclusief de jeugdzorg) geïnitieerd, gericht op behoud van personeel en verminderen van de uitstroom van personeel. Het doel is ervoor te zorgen dat er o.a. voldoende ruimte is voor het behoud van medewerkers en voor leren en ontwikkelen, zodat de sector zorg en welzijn een fijne sector is om in te (blijven) werken. VWS heeft hierbij een stimulerende en faciliterende rol. Aanvullend hierop geeft VWS en JenV samen met JZNL en sociale partners uitvoering aan concrete projecten gericht op het aanpakken van de arbeidsmarkproblematiek in de jeugdzorg. Deze aanpak heeft geresulteerd in goede voorbeelden en handreikingen op thema’s als hoe bouw je een aantrekkelijke organisatie en inwerken en behoud van personeel. Deze inzichten worden breed gedeeld in de jeugdzorg sector en diverse jeugdhulporganisaties zijn betrokken. Ter uitvoering van de motie zullen we in overleg met Jeugdzorg Nederland en sociale partners kijken naar de toepassing van deze inzichten bij een pleegzorg aanbieder.
Waar het gaat om verzuim en behoud steunt VWS het Preventieplan zorg en welzijn, een initiatief van PGGM, Stichting IZZ en FWG Progressional People om verzuim en verloop in de sector omlaag te brengen. Voor deze aanpak zijn data over verzuim, verloop en werkbeleving gecombineerd met de praktijkervaringen van ruim 700 zorgprofessionals en teamleiders. Hiermee is onderzocht wat de belangrijkste oorzaken van verloop en verzuim zijn én wat bewezen effectieve oplossingen zijn. Vervolgens is een handelingsperspectief voor instellingen en de sector beschreven. De aanpak is beschreven in een rapport en wordt nu zo breed mogelijk verspreid in de sector, onder andere via presentaties bij koepelorganisaties en door het organiseren van regionale bijeenkomsten voor (jeugd)zorgaanbieders.
Toezegging aan het lid El Abassi (DENK) om terug te komen op de uitvoering van de motie een onafhankelijk controlemechanisme in te stellen om toezicht te houden op de beslissingen en werkwijzen van pleegzorgorganisaties en jeugdbescherming45
In de Voortgangsbrief verbetermaatregelen na gebeurtenissen pleeggezin Vlaardingen van 17 juni 202546 is reeds aangekondigd dat het onafhankelijk toezicht via de IGJ en IJenV verloopt. Daarom wordt geen nieuw controlemechanisme ingesteld. Onderdeel van de motie was ervoor zorgen dat pleegkinderen een-op-een gesproken worden, zonder aanwezigheid van de pleegouder. Dit is ook onderdeel van het toetsingskader van de inspecties. De inspecties constateren dat het contact met pleegkinderen betekenisvol moet worden ingevuld. In de actualisatie van de richtlijn Pleegzorg wordt dit meegenomen. Met de gecertificeerde instellingen is afgesproken dat ook zij een landelijke richtlijn opstellen om een-op-een contact goed te borgen.
Toezegging aan het lid Ceder (CU) inzake de besteding van middelen voor pleegzorg47
Deze toezegging is reeds afgedaan met een eerdere voortgangsbrief Jeugd48, maar stond per abuis nog geregistreerd als openstaand.
Uitvoering motie Van der Plas (BBB) over Blijvend inzetten op versterken van uitvoeringspraktijk in samenwerken met informele steunfiguren zoals JIM49
Het bij hulpverlening actief betrekken van informele steun(figuren) uit het netwerk van jongeren is essentieel in het kader van het versterken van het gewone leven, opgroeien en het normaliseren. Een belangrijke opgave derhalve, zeker ook voor de professionals, zorgaanbieders en de gemeenten. Er is al een mooie beweging gaande, maar er zijn zeker nog kansen om het potentieel van informele steunfiguren (uit het eigen netwerk) beter te benutten en meer actief aan te bieden aan jongeren en gezinnen, ook als er sprake is van een jeugdbeschermingsmaatregel. Het versterken van de uitvoeringspraktijk met betrekking tot de samenwerking van professionals met informele steun(figuren) maakt daarom onderdeel uit van de Hervormingsagenda. Er wordt o.a. ingezet op vakbekwaamheid van professionals om samen te werken met informele steun(figuren) en verder het creëren van de juiste randvoorwaarden voor professionals vanuit werkgevers en/of opdrachtgevers. Ook ondersteunen we de landelijke JIM-pact50. Ondertussen zijn er al bijna 3000 professionals opgeleid in de JIM-aanpak en zijn er diverse jeugdhulporganisatie door het hele land aangesloten bij de JIM-Pact. Daarnaast is het samenwerken met informele steun een leerlijn van de woensdag 10 december jl. gelanceerde gezamenlijke leeragenda Kwaliteit en blijvend leren in de jeugdhulp (www.kbl.nl). Met deze reactie beschouw ik motie 1136 van de leden Van der Plas en Coenradie als afgedaan.
Motie van het lid Crijns (PVV) over de rol van de NZa bij fusies van jeugdzorginstellingen51
Op 26 maart jl. verzocht Tweede Kamerlid Crijns de regering per motiete verkennen of fusies van jeugdzorginstellingen alleen kunnen plaatsvinden na goedkeuring door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) via een jeugdhulpspecifieke concentratietoets. Naar aanleiding daarvan zijn gesprekken gevoerd met onder meer de NZa, de Jeugdautoriteit (JA) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Uit deze gesprekken blijkt dat deze organisaties het signaal niet breed herkennen dat fusies zouden leiden tot verdere versnippering, bestuurlijke instabiliteit of onzekere zorgsituaties voor kwetsbare jongeren. Daarom kies ik ervoor om geen jeugdhulpspecifieke concentratietoets in te voeren. Wel ga ik verkennen of de NZa inzicht in het fenomeen fusies kan meenemen in het stelselonderzoek dat zij uitvoeren. Hiermee beschouw ik de motie als afgedaan.
Uitvoering motie Joseph (BBB) over ABA-behandelingen52
De motie van het lid Joseph verzoekt de regering onder andere om samen met het veld, de IGJ, gemeenten, relevante cliëntenorganisaties en ervaringsdeskundigen, in gesprek te gaan over de mogelijkheid om een landelijk toezicht- en registratiekader te ontwikkelen waarmee het aanbieden en/of vergoeden van Applied Behavior Analysis (ABA)-behandelingen die intensiever zijn dan één uur per week effectief kan worden uitgesloten.
Vanuit het ministerie van VWS is gesproken met de Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA), stichting Leerlingen Belang Voortgezet Speciaal Onderwijs (LBVSO), Balans (landelijke belangenvereniging van ouders van kinderen met ontwikkelingsproblemen, waaronder kinderen met autisme en ADHD), Mama Vita (netwerk van moeders van kinderen met autisme), de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP), verschillende professionals die werkzaam zijn in de zorg voor kinderen met autisme, de IGJ en de VNG.
Ik begrijp de zorgen over ABA-behandelingen, deze zijn ook in de gesprekken naar voren gekomen. Er zijn schrijnende verhalen van ervaringsdeskundigen die nare ervaringen hebben gehad met ABA. Het raakt mij dat jongeren dergelijke ervaringen hebben. Behandeling of begeleiding dient bij te dragen aan hun welzijn en ontwikkeling en mag nooit schadelijk zijn. Tegelijkertijd bereiken mij ook geluiden over verharding in de discussie rondom ABA. Met name professionals gaven aan zich onveilig of zelfs bedreigd te voelen, en zijn daardoor soms huiverig om deel te nemen aan het debat. Dat komt noch de kwaliteit van zorg, noch de ontwikkeling van kennis ten goede. Ik vind het van belang dat meningsverschillen over een behandeling binnen de grenzen van een open en constructief debat gevoerd kunnen worden en kennisontwikkeling hierdoor niet belemmerd wordt.
Over de effecten van ABA bestaan verschillende perspectieven. Enerzijds geven de LBVSO en NVA aan dat zij ABA als schadelijk ervaren met negatieve gevolgen voor cliënten. Dit is voor hen een reden om te pleiten voor een verbod op ABA en beiden zijn voorstander van de uitvoering van de motie. Door andere ervaringsdeskundige partijen is benoemd dat er ook ouders en kinderen met autisme zijn die positieve ervaringen rapporteren met ABA-behandelingen of sterk afgeleide vormen daarvan. Zij geven aan dat er grote variatie bestaat tussen kinderen met autisme en eventuele andere aandoeningen. Afhankelijk van de zorgvraag kunnen verschillende behandelmethodes passend zijn. Hierover bestaat nog te weinig kennis en door deze partijen is aangegeven dat vooral meer onderzoek noodzakelijk is. Ook hebben zij benadrukt dat voor hen de gekozen behandelmethodiek alleen niet doorslaggevend is, maar dat zij vooral de kwaliteit van zorg als bepalend zien. Deze moet voldoende geborgd zijn om potentieel schadelijke effecten te voorkomen.
Uit de gevoerde gesprekken komt ook naar voren dat er niet één specifieke ABA-behandeling te definiëren is. Het rapport van het NJi geeft dat ook aan. Op basis van de theorie over toegepaste gedragsanalyse zijn verschillende methoden ontstaan. De onderliggende principes worden gebruikt in een groot scala aan behandelingen en zijn gedeeltelijk ook onderdeel van opvoeding53. Dit maakt het bijzonder moeilijk om voor het te ontwikkelingen registratie en toezichtskader helder te definiëren welke behandelmethoden en aanbieders geregistreerd moeten worden.
In gesprek met de IGJ kwam naar voren dat haar toezicht zich richt op de kwaliteit en veiligheid van de geleverde zorg en is gericht op de uitkomsten van een behandeling en de effecten van die behandeling op een kind. Binnen haar toezicht kan de IGJ optreden wanneer sprake is van risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van zorg of welzijn van het kind. De IGJ houdt geen toezicht op de keuze voor specifieke behandelvormen en geeft aan dat het aan professionals is om een goede afweging te maken welke behandeling het meest passend is voor een kind. Toezicht op het een kader zoals voorgesteld in de motie, richt zich op het controleren van het zich voordoen van ABA behandelingen van meer dan één uur in de week, en niet op de uitkomsten ervan in relatie tot kwaliteit en veiligheid van zorg. De IGJ ziet daarom geen rol voor zichzelf bij het toezicht houden op een dergelijk kader. Bovendien ziet de IGJ het als risico dat aanbieders die ABA-behandelingen van meer dan één uur aanbieden, deze behandelingen mogelijk anders zullen noemen of vormgeven, waardoor niet alle aanbieders geregistreerd worden en het registratiekader zijn doel voorbijschiet.
Tenslotte kwam in de gesprekken naar voren dat een dergelijk kader leidt tot een aanzienlijke toename van administratieve lasten voor zorgaanbieders en gemeenten. Zorgaanbieders zouden per cliënt moeten registreren of de inzet van ABA-behandelingen meer dan één uur per week bedraagt en zich als zodanig moeten registreren bij een daartoe nog aan te wijzen organisatie die dit periodiek controleert. De gemeenten moeten vervolgens periodiek inzicht krijgen in deze informatie met als doel dat zij kunnen besluiten deze zorg niet meer in te kopen.
Op basis van de gesprekken waar de motie om verzoekt, concludeer ik dat het ontwikkelen van het gevraagde landelijk toezicht- en registratiekader in de praktijk niet uitvoerbaar en uiteindelijk handhaafbaar is. Dit neemt niet weg dat ik het bijzonder belangrijk vindt dat professionals heel serieus kijken naar de kwaliteit van behandelingen bij jongeren met autisme waaronder ABA behandelingen. Het is noodzakelijk dat er voldoende aandacht is voor dit onderwerp en dat de kwaliteit van zorg goed geborgd wordt. Daarom ben ik blij met de richtlijn van de NVvP. Het is een waardevolle ontwikkeling omdat het toont dat professionals de noodzaak zien van kwalitatief goede zorg voor jongeren met autisme, zich bewust zijn van mogelijke kwetsbare kanten van ABA en dit hebben vertaald in een richtlijn voor professionals. Ik ga ervanuit dat professionals gaan handelen conform de richtlijn van de NVvP. De motie vraagt ook gemeenten actief te wijzen op deze richtlijn. Vanuit het ministerie is daarover zowel met de VNG als met de NVvP gesproken. De VNG heeft toegezegd de richtlijn via haar nieuwsbrief onder de aandacht van gemeenten te brengen. De NVvP heeft de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie (KJP) gevraagd aandacht te besteden aan de richtlijn in de nieuwsbrief van de afdeling. De IGJ heeft aangegeven dat zij de nieuwe NVvP richtlijn meeneemt in haar toezicht.
Diverse moties inzake mentale gezondheid online
In juni is de richtlijn gezond schermgebruik54 met uw Kamer gedeeld. Met de richtlijn wordt een belangrijke stap gezet om gezond scherm- en sociale media gebruik door kinderen te stimuleren en te ondersteunen en kinderen digitaal weerbaarder te maken en mentaal gezond te houden. Het is nu belangrijk dat de richtlijn goed bekend is en wordt gemaakt bij opvoeders en professionals, opdat de adviezen en handvatten in de richtlijn ook daadwerkelijk worden gebruikt. Een recente meting van het Media Minds ouderpanel laat zien dat 40% van de opvoeders op dit moment bekend is met de richtlijn en dat 73% daarvan deze ervaart als nuttig.
VWS werkt samen met o.a. de onderzoekers van de richtlijn, het NJI, Trimbos Instituut en Netwerk Mediawijsheid aan een implementatieplan, met als doel eenduidige communicatie naar opvoeders en (opvoed)professionals over gezond schermgebruik en het vergroten van bekendheid van de richtlijn. Het implementatieplan zal waar mogelijk bestaande kanalen en tools benutten. Denk daarbij aan de jeugdgezondheidszorg (jgz), kinderopvang en onderwijs middels de MediaDiamant en de toolbox Mediaopvoeding. Hiernaast zal in het plan aandacht zijn voor diversiteit van de communicatiematerialen. Ten behoeve van het implementatieplan voert VWS ook gesprekken met het jongerenpanel mentale gezondheid, wetenschappers, GGD’en en betrokken departementen zoals het ministerie van BZK, OCW en SZW. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Ceder (CU)55 om het socialemediagebruik van minderjarigen voornamelijk als gezondheidsvraagstuk te benaderen en daarin samen te werken met andere departementen. De 20-20-2 regel56 is één van de adviezen in de richtlijn. Dit advies is verwerkt in veel van de opvoedtools, zoals MediaDiamant. Hier wordt aandacht besteed aan balans tussen scherm- en schermvrije activiteiten. Niet alleen in het kader van mentale gezondheid, maar ook voor fysieke en ooggezondheid. Hiermee wordt ook de motie van lid Tielen (VVD) afgedaan om in gesprek te gaan met jgz-professionals en oogartsen met als doel om de 20-20-2 regel beter onder de aandacht te brengen57. U wordt nader geïnformeerd over de opvolging van het implementatieplan via de voortgangrapportages van de samenhangende preventiestrategie58.
In september is het ministerie van BZK de publiekscampagne ‘Blijf in beeld’ gestart met praktische tips en informatie om het online leven van kinderen veiliger te maken. Op de bijbehorende website, Jouw kind online59, is de richtlijn gezond schermgebruik verwerkt en meegenomen.
In december is in opdracht van VWS reeds de vernieuwde versie van de MediaDiamant60 van Netwerk Mediawijsheid gelanceerd. Deze bekende en veelgebruikte tool voor opvoeders en professionals helpt hen te ondersteunen bij (het gesprek over) mediaopvoeding. In de vernieuwde versie is de richtlijn verwerkt. Deze is beschikbaar in 9 talen, waaronder Engels, Turks, Arabisch, Papiaments en Oekraïens.
Overige moties Rechtsbescherming
Motie van het lid Ceder (CU) c.s.61
In deze motie wordt de regering onder meer verzocht te onderzoeken in hoeverre de bestaande mogelijkheden voor bestuurdersaansprakelijkheid beter onder de aandacht kunnen worden gebracht bij slachtoffers.
Iedereen die te maken heeft met jeugdzorg kan voor vragen, advies of ondersteuning terecht bij een vertrouwenspersoon, zoals Jeugdstem. Jeugdstem kan ondersteunen bij het zetten van vervolgstappen, bijvoorbeeld bij het indienen van een klacht. In deze communicatie nemen zij ook de mogelijkheden voor bestuurdersaansprakelijkheid mee. Jeugdstem draagt bij aan de bekendheid van de procedure door de cliënt erop te wijzen de mogelijkheden te bespreken met een advocaat vanwege de complexe juridische aard. Gezien de complexiteit van de trajecten, ziet de staatssecretaris van JenV op dit moment geen aanleiding om deze mogelijkheid verder onder de aandacht te brengen van de slachtoffers.
Motie van het lid Bruyning (NSC) c.s.62
In deze motie wordt de regering verzocht te bevorderen dat de meldbriefprocedure niet langer wordt gebruikt.
Deze motie is uitgevoerd. De meldbriefprocedure is afgeschaft. Daarnaast heeft de rechtspraak middelen ontvangen om standaard ouders en kinderen te horen bij verzoeken tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing.63
Motie van het lid Westerveld (GL-PvdA)64
In deze motie wordt de regering verzocht te waarborgen dat rechtzoekenden die worden uitgenodigd voor een jeugdbeschermingstafel (hierna: JBT) er expliciet op worden gewezen dat zij een zelfgekozen advocaat mogen meenemen.
Om inzicht te krijgen in de huidige informatievoorziening is een uitvraag gedaan bij alle JBT’s. Daarbij is expliciet gewezen op de inhoud van de motie en op de mogelijkheid om met behulp van de tijdelijke RATZ-regeling gebruik te maken van gesubsidieerde rechtsbijstand.
Uit deze inventarisatie blijkt dat JBT’s in hun uitnodigingen aan ouders vermelden dat zij een vertrouwenspersoon mogen meenemen, waaronder ook een advocaat kan vallen. Gezien het decentrale stelsel hebben gemeenten beleidsvrijheid om de werkwijze van JBT’s nader vorm te geven.
Vanuit de Rijksoverheid wordt aanvullend voorlichtingsmateriaal ontwikkeld over rechtsbescherming op het snijvlak van vrijwillige en gedwongen hulp. Daarin wordt expliciet aandacht besteed aan de mogelijkheid van ondersteuning door een advocaat.