Verslag Ministeriële Conferentie ESA 2025 en beleidsevaluatie ruimtevaartbeleid 2017-2024
Brief regering
Nummer: 2026D03759, datum: 2026-01-27, bijgewerkt: 2026-01-27 17:01, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken
- Beleidsevaluatie Ruimtevaart 2017-2024
- Beslisnota bij Verslag Ministeriële Conferentie ESA 2025 en beleidsevaluatie ruimtevaartbeleid 2017-2024
Onderdeel van zaak 2026Z01569:
- Indiener: V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken
- Volgcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Volgcommissie: vaste commissie voor Defensie
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Economische Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Geachte Voorzitter,
Met deze brief informeer ik uw Kamer over de uitkomsten van de Ministeriële Conferentie 2025 (MC25) van de European Space Agency (ESA), die op 26 en 27 november 2025 in Bremen (Duitsland) heeft plaatsgevonden. Ik stuur deze uitkomsten mede namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Defensie.
Daarnaast stuur ik uw Kamer een kabinetsreactie op de uitgevoerde beleidsevaluatie van het civiele ruimtevaartbeleid van 2017 tot en met 2024.
Vincent Karremans
Minister van Economische Zaken
Verslag Ministeriële Conferentie ESA 2025
Uitkomst MC25
De uitkomst van MC25 laat zien dat Europese landen ruimtevaart nadrukkelijk zien als een strategische randvoorwaarde. In de huidige geopolitieke context speelt de ruimte een steeds grotere rol voor onze veiligheid en weerbaarheid, terwijl satellietinfrastructuur en satellietdata ook voor onze samenleving vitaal zijn: voor logistiek, landbouw, (veilige) communicatie, weersvoorspellingen, klimaatonderzoek en dijkbewaking.
Tegen deze achtergrond is de Ministeriële Conferentie 2025 (MC25) in Bremen succesvol verlopen. De ESA-lidstaten hebben afspraken gemaakt over een pakket van € 22,3 miljard voor de periode 2026-2028. Daarmee ligt het totaal duidelijk hoger dan bij de Ministeriële Conferentie van 2022 in Parijs, toen het ging om circa € 17 miljard.
Inhoudelijk dragen de programma’s nog sterker dan in de voorgaande jaren bij aan veiligheid en weerbaarheid, en moeten projecten binnen ESA sneller van ontwikkeling naar toepassing kunnen komen. Die koers is terug te zien in de keuzes binnen de verschillende ESA-programma’s. Lidstaten hebben extra inzet gedaan op aardobservatie (met het oog op klimaat, water, weer en veiligheid en het versterken van de Europese dataketen), op connectiviteit en veilige communicatie (waaronder optische en lasercommunicatie), op exploratie (het International Space Station, de maan en Mars) en op technologieontwikkeling (om innovatie sneller te demonstreren en door te laten stromen naar missies en toepassingen). Daarnaast is toegang tot de ruimte een zichtbare prioriteit: lidstaten onderstrepen dat Europa moet kunnen beschikken over een robuuste lanceercapaciteit en een bijbehorend ecosysteem.
De Nederlandse inschrijving bij MC25
In de Kamerbrief voorafgaand aan MC25 is uw Kamer geïnformeerd over de Nederlandse uitgangspositie. Nederland ging uit van een inschrijving van
€ 170 miljoen op de ESA-programma’s, naast de verplichte bijdragen van in totaal € 167,8 miljoen die vanuit EZ en OCW worden gedaan.
In de aanloop naar de conferentie heeft het kabinet opnieuw gewogen wat nodig is om de Nederlandse positie binnen ESA te behouden en te versterken. Daarbij is de Lange Termijn Ruimtevaartagenda (LTR), die brede politieke steun heeft, het uitgangspunt geweest: Nederland wil gericht investeren in programma’s die bijdragen aan veiligheid en weerbaarheid, klimaat en leefomgeving, wetenschap, innovatie en het verdienvermogen van onze kennisinstellingen en bedrijven. Het kabinet heeft die afweging gemaakt op basis van het onafhankelijke advies van het Netherlands Space Office (NSO), dat voorafgaand aan elke conferentie adviseert over de Nederlandse inzet en de kansen voor Nederland binnen ESA. Tegelijkertijd hebben signalen vanuit ESA en uit het Nederlandse ecosysteem het belang van een stevige Nederlandse bijdrage nogmaals onderstreept. Daarbij weegt voor het kabinet ook mee dat Nederland als gastland van ESTEC belang heeft bij een inzet die past bij die positie en bij het blijvend versterken van het ecosysteem rond Noordwijk. Ook in uw Kamer is in de afgelopen periode, onder meer in het commissiedebat ruimtevaart van 9 april 2025 en het bijbehorende tweeminutendebat van 2 september 2025, door meerdere leden aandacht gevraagd voor extra investeringen in ruimtevaart, juist vanwege het groeiende belang van de ruimte voor onze samenleving. Tegen die achtergrond heeft het kabinet gekozen voor een hogere Nederlandse inschrijving.
Op basis van bovenstaande heeft het kabinet besloten om de Nederlandse inschrijving op de optionele programma’s te verhogen met € 109 miljoen. De totale Nederlandse inschrijving op de optionele ESA-programma’s komt daarmee uit op € 282,5 miljoen.1 Daarvan is een aanvullende bijdrage van € 85 miljoen vanuit het ministerie van EZ. Vanuit het ministerie van Defensie is dekking van een aanvullende en incidentele bijdrage van € 24 miljoen, onder voorwaarden dat de investeringen meetellen met de NAVO-norm, passen binnen artikel 2 van de ESA-conventie en dat Defensie sturing geeft aan de inzet van de middelen aan ESA-projecten die voor Defensie meerwaarde opleveren. De komende maanden zal nader worden onderzocht hoe deze voorwaarden kunnen worden ingevuld.
De Nederlandse inschrijvingen stijgen hiermee met 24% ten opzichte van 2022. Het Nederlandse aandeel in het totale ESA-budget komt bij MC25 uit op
2,6 procent, tegenover 2,75 procent bij de vorige conferentie. Deze daling komt doordat een aantal grote landen de bijdrage aan ESA fors heeft verhoogd en het ESA-budget hierdoor harder stijgt dan de Nederlandse bijdrage.
Nederlandse inschrijvingen per programma
Nederland heeft op MC25 in totaal € 450,3 miljoen ingeschreven tijdens de conferentie. Daarmee blijft Nederland breed actief binnen ESA in de samenwerking met andere lidstaten en sluit de verdeling van de middelen aan bij de prioriteiten die in de eerdere Kamerbrief met kabinetsinzet zijn toegelicht.
Verplichte programma’s
Voor de periode 2026–2028 gaat het om een bijdrage van € 65,4 miljoen
voor Basic Activities en Kourou (EZ) en € 102,4 miljoen voor Science
(OCW). De verplichte bijdrage voor Basic Activities is uiteindelijk €
3,5 miljoen lager uitgevallen dan verwacht. Dit bedrag is overgeheveld
naar het budget voor de optionele ESA-programma’s. Het totale bedrag
voor het Science-programma is onder druk van enkele lidstaten in de
onderhandelingen minder gegroeid dan waar ESA oorspronkelijk op had
ingezet. Daardoor is de Nederlandse bijdrage
€ 2 miljoen lager uitgevallen dan de oorspronkelijke inzet van € 104,4 miljoen.
Aardobservatie – € 66 miljoen
Nederland investeert in FutureEO en aanverwante
aardobservatieprogramma’s. Een herkenbaar Nederlands voorbeeld is TANGO:
een instrument in ontwikkeling waarmee op bronniveau CO₂- en
methaanuitstoot gemeten kan worden en dat direct bijdraagt aan klimaat
en leefomgeving.
Communicatie – € 62,5 miljoen
De Nederlandse bijdrage aan ARTES ondersteunt veilige en innovatieve
communicatietechnologie, waaronder optische en lasercommunicatie binnen
ScyLight. Dit sluit aan op de Nederlandse inzet in optica, fotonica en
lasercommunicatie en vergroot de kansen om deze Nederlandse technologie
in Europese trajecten te laten landen.
Toegang tot de ruimte – € 56 miljoen
Nederland draagt via het ESA-lanceerdersdomein bij aan het borgen van
Europese autonome toegang tot de ruimte. Daarbij gaat het om inzet op
onder meer Ariane 6 en Vega, en om voorbereidende innovatie binnen FLPP.
Dit is relevant voor de operationele continuïteit én voor de positie van
Nederlandse toeleveranciers in de internationale keten.
Technologieontwikkeling – € 40 miljoen
Met deelname aan GSTP investeert Nederland in technologische innovatie,
demonstraties en doorontwikkeling. Het kabinet zet hierbij in op
sleuteltechnologieën zoals optica, fotonica en optomechatronica, en op
het versterken van het innovatie-ecosysteem rond ESTEC, waaronder
activiteiten zoals het Cometlab en het PhiLab.
Exploratie – € 25 miljoen
Nederland blijft betrokken bij E3P (ISS/maan/mars). Daarmee worden
lopende verplichtingen afgewikkeld en blijft Nederland betrokken in de
besluitvorming en samenwerking rond exploratie, terwijl er ruimte blijft
voor vervolgstappen in een volgende cyclus.
Navigatie – € 18 miljoen
Nederland zet in op veilige en betrouwbare navigatie. Een concreet
voorbeeld is de Nederlandse bijdrage aan OpSTAR, het Europese initiatief
voor veilige en robuuste navigatie binnen FutureNAV. Dit sluit aan bij
de toenemende relevantie van robuuste PNT voor maatschappelijke én
militaire gebruikers.
Commercialisatie – € 10 miljoen
Met deelname aan ACCESS en BASS blijft Nederland ondernemerschap en
marktontwikkeling in de ruimtevaart stimuleren. Dit ondersteunt onder
meer de doorontwikkeling van het ecosysteem rond ESA-BIC Noordwijk en de
versnelde ontwikkeling van de NL Space Campus.
Ruimteveiligheid – € 5 miljoen
Nederland versterkt zijn inzet binnen het Space Safety Programme (S2P).
Daarmee blijven Nederlandse partijen aangesloten op activiteiten die
bijdragen aan een veiliger en duurzamer gebruik van de ruimte, waaronder
monitoring en risicoreductie.
Onderstaand overzicht geeft per domein weer hoe de Nederlandse inschrijving op ESA-programma’s over de belangrijkste programmalijnen is verdeeld.
Tabel: Nederlandse inschrijving op de ESA-programma’s (mln euro)
| Domein | ESA-programma’s | NL-inschrijving |
|---|---|---|
| Basic activities en Kourou | 65,4 | |
| Wetenschap | Science | 102,4 |
| Aardobservatie | FutureEO, DTE, InCubed, ERS-EO | 66 |
| Connectiviteit en veilige communicatie | ARTES (o.a. ScyLight) | 62,5 |
| Toegang tot de ruimte | Space Transportation (o.a. Ariane 6, Vega, FLPP) | 56 |
| Technologieontwikkeling | GSTP | 40 |
| Exploratie | E3P | 25 |
| Navigatie | NAVISP, FutureNAV (o.a. OpSTAR) | 18 |
| Commercialisatie | ACCESS / BASS | 10 |
| Ruimteveiligheid | S2P | 5 |
| Totaal | 450,3 |
Tot slot
MC25 bevestigt dat Europa de komende jaren extra inzet op ruimtevaart als kritische technologie voor de Europese samenleving. Nederland heeft in Bremen een hogere inschrijving gerealiseerd dan bij de vorige conferentie. Met een inschrijving van € 450,3 miljoen borgt het kabinet dat Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen kunnen blijven meedoen in de programma’s waar de Europese investeringen toenemen, en dat Nederland als gastland van ESTEC stevig aangehaakt blijft in de Europese samenwerking.
Tegelijkertijd schrijft Nederland hiermee nog niet in op het niveau van de
ESA-norm dat past bij een bijdrage naar rato van het bbp. De recente toevoeging van € 109 miljoen is incidenteel van aard en bij een eventuele volgende inschrijving zal dit budget niet vanzelfsprekend opnieuw beschikbaar zijn. De afweging over een eventuele verdere, structurele ophoging van de Nederlandse ESA-inzet ligt bij een volgend kabinet, in samenhang met bredere budgettaire keuzes.
Kabinetsreactie evaluatie civiele ruimtevaartbeleid 2017-2024
Het kabinet reageert op de Beleidsevaluatie Ruimtevaart 2017–2024, uitgevoerd door Dialogic in opdracht van het ministerie van Economische Zaken. Deze evaluatie wordt als bijlage van deze brief meegestuurd. De evaluatie geeft een breed beeld van de stand van zaken van het Nederlandse civiele ruimtevaartbeleid, beschouwt de voortgang en resultaten in de periode
2017–2024 en behandelt de belangrijkste uitdagingen voor de toekomst.
De evaluatie bevestigt dat het Nederlandse ruimtevaartbeleid in de afgelopen periode doelmatig is geweest: middelen zijn efficiënt ingezet, samenwerking met internationale organisaties als ESA en EUMETSAT levert veel waarde op, en instrumenten als SBIR en het Satellietdataportaal worden breed gewaardeerd. Tegelijkertijd signaleert de evaluatie dat de doeltreffendheid van het beleid achterblijft bij de ambities. De omschreven oorzaken hiervan zijn vooral:
de beperkte omvang van de Nederlandse ESA-bijdrage ten opzichte van andere lidstaten;
het ontbreken van scherpe prioritering binnen de brede beleidsmissies zoals opgenomen in de Lange Termijn Ruimtevaartagenda (LTR);
het tekort aan technisch talent en versnipperde publiekscommunicatie;
onduidelijkheid over de internationale opdracht en over de toekomstige naam en mandaat van het NSO;
de nog onvoldoende integrale sturing van het ruimtevaartbeleid;
doelstellingen die niet concreet en meetbaar genoeg zijn;
de noodzaak om de sterktes van het Nederlandse ruimtevaart-ecosysteem beter internationaal uit te venten;
en om als overheid als launching customer op te treden voor de Nederlandse ruimtevaartsector.
De Lange-termijn Ruimtevaartagenda (LTR) van januari 2024 biedt een inspirerend kompas voor de komende 10–15 jaar, met zes missies en voorstellen voor versterkte governance en budgettaire intensivering. De kabinetsreactie op de LTR van februari 2025 gaf daaraan een eerste invulling, onder meer met de oprichting van de Interdepartementale Raad Ruimtedomein (IRR). De beleidsevaluatie, afgerond in juli 2025, bevestigt de richting van deze inzet maar scherpt die ook aan.
Het kabinet onderschrijft de analyse van de evaluatie en beschouwt de acht aanbevelingen als een belangrijke aansporing om het beleid verder te versterken, en merkt tegelijkertijd op dat er op meerdere punten al stappen zijn gezet in lijn met deze aanbevelingen. Hieronder wordt per aanbeveling ingegaan op de bevindingen uit de evaluatie en de inzet van het kabinet.
Verhoog de Nederlandse financiële bijdrage aan de ESA
De evaluatie constateert dat Nederland structureel onder de ESA-norm presteert. Waar landen als Frankrijk, Duitsland en Italië fors investeren, blijft Nederland achter. Dit beperkt de mogelijkheden voor ESA om in Nederland te investeren, remt de groei van het nationale ruimtevaart-ecosysteem en brengt de positie van ESTEC – het technologisch hart van ESA – op de langere termijn in gevaar. Vrijwel alle geraadpleegde stakeholders benadrukken dat dit hét knelpunt is in de effectiviteit van het beleid. Dit leidt er mogelijk toe dat Nederland minder invloed kan uitoefenen op de ontwikkeling van cruciale Europese programma’s zoals Copernicus, Galileo en IRIS2, die direct bijdragen aan de nationale veiligheid, weerbaarheid en economische belangen.
Het kabinet herkent de analyse uit de evaluatie dat de beperkte Nederlandse ESA-bijdrage een beperking kan vormen voor de doeltreffendheid van het ruimtevaartbeleid. Zoals eerder aangegeven in deze brief, heeft het kabinet de ESA-bijdrage voor de periode 2026-2028 met € 109 miljoen incidenteel verhoogt, waarmee een duidelijke stap is gezet in de versterking van de Nederlandse inzet op ruimtevaart. Een eventuele structurele hogere bijdrage is aan een volgend kabinet.
Prioriteer de zes missies uit de Lange Termijn Ruimtevaartagenda in het toekomstig ruimtevaartbeleid
De LTR formuleerde zes ambitieuze missies: het vergroten van veiligheid en defensiecapaciteit, het benutten van de ruimte voor klimaat en leefomgeving, het versterken van de wetenschappelijke toppositie, het inzetten van satellietdata voor maatschappelijke vraagstukken, het verzilveren van economische kansen voor Nederlandse bedrijven, en het bevorderen van een sterk internationaal juridisch kader voor het gebruik van de ruimte. Deze missies genieten breed draagvlak, maar de evaluatie stelt dat Nederland, met beperkte schaal en middelen, niet in staat is om alle zes tegelijk volwaardig uit te voeren. Zonder prioritering dreigt versnippering van de inspanningen en een verzwakking van de impact.
Het kabinet deelt deze analyse en ziet hierin een aansporing om de uitvoering van de missies zorgvuldig en gericht vorm te geven. In de kabinetsreactie op de LTR van februari 2025 zijn daarom al focuspunten per missie benoemd om richting te geven aan deze uitvoering en te voorkomen dat inspanningen versnipperen, missies worden uitgesloten of naar de achtergrond verdwijnen.
Tegelijkertijd merkt het kabinet op dat de zes missies sterk verschillen in aard, looptijd en benodigde middelen. Sommige missies vragen hoofdzakelijk personele en diplomatieke inzet, terwijl andere juist meerjarige en financiële investeringen vergen. Daarnaast kent een deel van de missies al langlopende programma’s en samenwerkingen, waardoor continuïteit en doorontwikkeling minder capaciteit vergen. Juist door deze verschillen is het mogelijk om op alle missies voortgang te boeken, ook wanneer budgettaire ruimte beperkt is.
Het kabinet zal de verdere uitwerking van de zes missies concretiseren binnen de bestaande interdepartementale LTR-governancestructuur en de Interdepartementale Raad Ruimtedomein, zodat de inzet per missie helder, consistent en doelgericht blijft. De Kamer zal hierover worden geïnformeerd in de jaarlijkse LTR-updatebrief.
Geef meer aandacht aan het werven en ontwikkelen van talent en aan publiekscommunicatie
De evaluatie benadrukt dat de ruimtevaartsector kampt met structurele tekorten aan technisch geschoold personeel op alle niveaus. Dit vormt een rem op de ontwikkeling van bedrijven en kennisinstellingen. Ook constateert de evaluatie dat publiekscommunicatie versnipperd is en vaak beperkt blijft tot specifieke doelgroepen, terwijl juist brede communicatie van belang is voor draagvlak en instroom.
De tekorten op technisch geschoold personeel zijn bekend en gaan verder dan alleen de ruimtevaart; ook andere sectoren kampen met vergelijkbare problemen. In het onderwijs wordt breed ingezet op het terugdringen hiervan, onder meer via het Actieplan Groene & Digitale Banen.2 Daarbij wordt ingezet op versterking van bètatechnisch en digitaal onderwijs en een betere aansluiting hiervan bij de arbeidsmarkt. De ruimtevaartsector kan binnen deze bredere inzet fungeren als aansprekend voorbeeld om jongeren te interesseren voor technische en digitale beroepen.
Specifiek voor de ruimtevaart zijn er verschillende initiatieven waarmee jongeren bekend worden gemaakt met de mogelijkheden voor beroepen in deze sector. Dit gebeurt via onderwijsinitiatieven zoals ESERO3 vanuit de ESA en competities als CanSat4 en Mission X.5 Daarnaast worden scholen ondersteund om ruimtevaart te integreren in hun lessen, en loopt een behoefteonderzoek in het primair en voortgezet onderwijs om deze inzet gerichter vorm te geven. Verder is er sinds 2024 aandacht voor het programma SpaceforTalent6 dat zich richt op het verbinden van mbo-, hbo- en wo-studenten met de sector.
In het algemeen is er de laatste jaren meer aandacht voor publiekscommunicatie op het gebied van wetenschap. Samen met ESERO en NSO kan er gekeken worden naar welke verbeteringen nog kunnen worden doorgevoerd, waarbij bijvoorbeeld de maatschappelijke betekenis van ruimtevaart voor klimaat, veiligheid en digitalisering beter naar voren komt. Het NSO ondersteunt dit al, onder meer via mediabriefings rondom belangrijke ruimtevaartmissies en deelname en organisatie bij publieksevenementen, zoals de open dag bij ESTEC.
Wees duidelijk over de (internationale) opdracht en over de toekomstige naam en mandaat van het NSO
De evaluatie stelt dat Nederland in internationale gremia voor civiele ruimtevaart (ESA, EU en VN) regelmatig reactief in plaats van proactief opereert. Heldere mandatering, voorspelbaarheid en interdepartementale afstemming zijn nodig om proactiever te handelen en de Nederlandse invloed te vergroten. De evaluatie wijst erop dat de krijtlijnen voor versterking van het NSO al zijn geschetst: verbreding van het opdrachtgeverschap, een sterker internationaal mandaat en de omvorming naar agency, passend bij de internationale rol die de organisatie vervult.
Het kabinet onderschrijft deze aanbeveling. De brede en steeds crucialere rol die het ruimtedomein speelt in de Nederlandse economie, nationale veiligheid en samenleving maakt dat ruimtevaartbeleid een verantwoordelijkheid is geworden van steeds meer departementen. In lijn met de kabinetsreactie op de LTR zet het kabinet daarom in op versterking van de governance. Sinds februari 2025 is hiervoor de Interdepartementale Raad Ruimtedomein (IRR) ingericht, een nieuw hoogambtelijk overleg dat de ministerraad en onderraden adviseert over strategische keuzes in het ruimtedomein. Onder de IRR worden naast de Interdepartementale Commissie Ruimtedomein (ICR) ook diverse werkgroepen voorzien, waardoor de strategische sturing en coördinatie van het Nederlandse ruimtevaartbeleid structureel wordt geborgd.
Deze versterkte governance ondersteunt ook een consistenter, voorspelbaarder en beter afgestemd optreden van Nederland in met name Europese en andere internationale gremia, waardoor Nederlandse standpunten gerichter kunnen worden uitgedragen en bedrijven beter kunnen profiteren van Europese onderzoeks-, innovatie- en industriële kansen.
Daarnaast versterkt het kabinet de uitvoering van het ruimtevaartbeleid door versterking van het NSO. Dat uit zich onder andere in het doorvoeren van de omvorming naar ‘agency’ om daarmee de internationale uitstraling te verstevigen. Ook krijgt het NSO een versterkt mandaat in de European Space Agency.
Maak het ruimtevaartbeleid zowel inhoudelijk als in de sturing echt integraal
De evaluatie stelt vast dat het beleid de afgelopen jaren al meer integraal is geworden: meer departementen zijn aangesloten en ook het gebruik van satellietdata in andere beleidsdomeinen neemt toe. Tegelijkertijd blijft versnippering een risico en is er behoefte aan meer regie in de interdepartementale afstemming. Ook moeten alle betrokken departementen een rol spelen in monitoring en evaluatie.
Het kabinet werkt hier al actief aan. De LTR fungeert als leidend kompas voor de gezamenlijke interdepartementale inzet, en sinds februari 2025 is de IRR als nieuw hoogambtelijk overleg ingericht. Onder de IRR vallen de ICR en diverse werkgroepen, waarmee strategische sturing, afstemming en gezamenlijke besluitvorming structureel zijn geborgd.
Naast de vijf departementen die vast deelnemen aan deze governance, wordt – waar relevant – afgestemd met andere gebruikersministeries, zoals LVVN, JenV, BZK, FIN en VRO. Ruimtevaart en ruimtedata spelen immers een groeiende rol in uiteenlopende beleidsopgaven, zoals klimaat en aardobservatie, landbouwmonitoring, veiligheid en communicatie, ruimtelijke ordening en datagebruik. Wanneer onderwerpen daarom vragen, worden deze ministeries uitgenodigd om aan te sluiten bij het overleg. Deze governance versterkt de integraliteit in zowel beleidsontwikkeling als uitvoering, en zorgt ervoor dat departementen gezamenlijk bijdragen aan monitoring, evaluatie en internationale vertegenwoordiging.
Zorg dat de doelstellingen van het toekomstig ruimtevaartbeleid zo concreet (SMART) mogelijk worden geformuleerd
De evaluatie stelt dat de doelstellingen in de LTR richtinggevend zijn, maar onvoldoende concreet en meetbaar. Er ontbreken subdoelen, tussentijdse mijlpalen en toegesneden indicatoren. Alleen de geo-return wordt nu systematisch gemonitord, terwijl maatschappelijke en strategische dimensies (veiligheid, defensie, wetenschappelijke ontwikkeling, ESTEC) buiten beeld blijven.
Het kabinet benadrukt dat de LTR het strategische kompas vormt voor het Nederlandse ruimtevaartbeleid in de komende jaren. De kabinetsreactie op de LTR heeft deze koers bevestigd en geeft richting aan hoe Nederland zijn positie wil versterken. Alle uitwerkingen vanuit de vakdepartementen die daarna worden opgesteld richting uw Kamer, zijn in lijn met de LTR, en dienen ter verdere invulling van de daarin geformuleerde missies. De versterkte governance via de IRR zorgt ervoor dat deze uitwerkingen interdepartementaal worden afgestemd en consistent worden doorvertaald. Op deze manier wordt de LTR stap voor stap verder geconcretiseerd. Verder zal er gerapporteerd worden over de voortgang van deze missie in de jaarlijkse LTR-update, waarbij concretisering van de missies wordt aangebracht.
Vent de sterke aspecten van het Nederlands ruimtevaartbeleid (bijv. SBIR, satelliet-dataportaal, etc.) en het Nederlandse ruimtevaart-ecosysteem (bijv. aardobservatie) meer uit (ook internationaal)
De evaluatie stelt dat Nederland sterke niches heeft – zoals aardobservatie (TROPOMI, TANGO), optische instrumentatie, het Satellietdataportaal en SBIR – maar dat deze internationaal nog onvoldoende worden uitgedragen. Door onze sterktes nadrukkelijk te profileren kan Nederland zich ontwikkelen tot een nichespeler die invloed uitoefent op Europese en mondiale agenda’s.
Het kabinet onderschrijft dit in de LTR en de bijbehorende kabinetsreactie. Nederland beschikt over internationaal onderscheidende sterktes in onder meer aardobservatie-instrumentatie, optische systemen, hoogwaardige componenten en datagebruik. Het kabinet ziet het expliciet uitdragen van deze niches als essentieel om Nederlandse bedrijven beter te positioneren in Europese waardeketens, opdrachtenstromen en strategische programma’s. De eerder genoemde versterkte governance via de IRR en het NSO draagt er daarnaast aan bij dat Nederlandse standpunten consistenter worden geagendeerd in ESA-, EU- en NAVO-kaders en dat de internationale zichtbaarheid van het Nederlandse ecosysteem wordt vergroot.
Door het actief uitdragen van Nederlandse niches, het versterken van de internationale agendering via de IRR en het NSO, en de verdere ontwikkeling van de NL Space Campus als internationale hub, geeft het kabinet concreet invulling aan de aanbeveling om het Nederlandse ruimtevaart-ecosysteem sterker internationaal te positioneren.
Treed als overheid nog meer als launching customer op voor de Nederlandse ruimtevaartsector en creëer condities waaronder Nederlandse ruimtevaart-bedrijven internationaal koploper kunnen worden
De evaluatie waardeert initiatieven zoals het Satellietdataportaal en het stimuleren van vraaggestuurde innovaties, maar constateert dat de overheid nog meer kan doen om als launching customer op te treden.
Nederland is in toenemende mate afhankelijk van ruimtevaartinfrastructuur voor veiligheid, wetenschap, economie en maatschappelijke opgaven. Deze infrastructuur wordt primair in Europees verband ontwikkeld. Binnen de EU worden strategische programma’s en opdrachten vastgesteld, terwijl de technologische ontwikkeling en uitvoering grotendeels via ESA plaatsvinden. Nederland treedt in dit stelsel op als launching customer voor Nederland, door te investeren in Europese programma’s en de ESA, en door actief gebruik te maken van de diensten en infrastructuur die daaruit voortkomen. Deze lijn blijft het fundament onder de Nederlandse inzet op het civiele ruimtevaartbeleid.
Op nationaal niveau werkt het kabinet daarnaast aan toepassingen die het gebruik van satellietdata en -diensten vergroten. Het NSO ondersteunt dit via centrale inkoop van satellietdata en door met uitvoeringsorganisaties te verkennen hoe gezamenlijk innovatieve informatieproducten kunnen worden ontwikkeld. Daarnaast heeft het NSO een inventarisatie uitgevoerd van belemmeringen voor breder gebruik; dit wordt betrokken in een actieplan dat in 2026 wordt opgeleverd, gericht op randvoorwaarden zoals standaardisatie, technologieneutrale wet- en regelgeving en voldoende innovatieruimte.
Ook Defensie vervult een launching-customerrol door de ontwikkeling van eigen satellietcapaciteiten binnen de Defensie Ruimte Agenda. Daarmee ontstaat een voorspelbare thuismarkt waarin bedrijven innovaties kunnen testen en door ontwikkelen voordat zij internationaal opschalen.
De evaluatie van het ruimtevaartbeleid tussen 2017 en 2024 bevestigt dat Nederland met zijn ruimtevaartbeleid een stevige basis heeft gelegd, maar dat verdere versterking noodzakelijk is. De acht aanbevelingen bieden hiervoor een helder handelingsperspectief.
Het kabinet blijft zich inzetten om het Nederlandse ruimtevaartbeleid langs deze lijnen verder te versterken en de uitvoering van de LTR te blijven borgen mede op basis van de evaluatie en de aanbevelingen. Hiermee wordt de positie van Nederland in het ruimtedomein duurzaam verstevigd, in het belang van nationale veiligheid, maatschappelijke opgaven, innovatie en het economisch verdienvermogen.