Antwoord op vragen van het lid Boomsma over de nieuwe bekladdingen van gebouwen van de Universiteit Utrecht door pro-Palestijnse extremisten
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D03470, datum: 2026-01-26, bijgewerkt: 2026-01-26 17:32, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Mede namens: F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2025Z22029:
- Gericht aan: G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Gericht aan: F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid
- Indiener: D.T. Boomsma, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (đ origineel)
De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG |
|---|
| Datum | 26 januari 2026 |
|---|---|
| Betreft | Antwoord op schriftelijke vragen van het lid Boomsma (JA21) over de nieuwe bekladdingen van gebouwen van de Universiteit Utrecht door pro-Palestijnse extremisten |
Hoger Onderwijs en Studiefinanciering Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl |
Onze referentie 61113064 |
Uw brief 15 december 2025 |
Uw referentie 2025Z22029 |
Bijlagen 1 |
Hierbij stuur ik u, mede namens de minister van Justitie en Veiligheid, de antwoorden op de vragen van het lid Boomsma (JA21) over de nieuwe bekladdingen van gebouwen van de Universiteit Utrecht door pro-Palestijnse extremisten.
De vragen werden ingezonden op 15 december 2025 met kenmerk 2025Z22029.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gouke Moes
De antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Boomsma (JA21), mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, over de nieuwe bekladdingen van gebouwen van de Universiteit Utrecht door pro-Palestijnse extremisten met kenmerk 2025Z22029, ingezonden op 15 december 2025.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat in de nacht van vrijdag 12
tot zaterdag 13 december vernielingen zijn aangebracht aan drie
monumentale panden van de Universiteit van Utrecht, die met rode verf
zijn besmeurd?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Heeft u kennis genomen van het feit dat extremisten deze actie op
instagram hebben opgeĂ«ist door âPalestine Actionâ en daarbij hebben
gedreigd dat de universiteit banden met Israëlische universiteiten moet
verbreken of de daders nog veel meer schade gaan veroorzaken (âor we
will be back and double the damageâ)? [1] Â
Antwoord 2
Ja.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u het feit dat de Universiteit Utrecht op deze manier
wordt gechanteerd en wat gaat u doen om Nederlandse universiteiten beter
te vrijwaren van dergelijke antidemocratische, extremistische en
antisemitische agressie?
Antwoord 3
Het spreekt voor zich dat de minister van Justitie en Veiligheid
(hierna: JenV) en ik iedere vorm van agressie en geweld of dreiging
daarmee van de hand wijzen. Instellingsbesturen van universiteiten en
hogescholen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak om zowel de
academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting als de veiligheid op
de campus te waarborgen. Daarnaast hebben zij in hun Richtlijn protesten
universiteiten en hogescholen1 aangegeven het recht om
te demonstreren te ondersteunen. Ik zie dat zij zich hier dagelijks voor
inspannen.
Er worden verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Ik heb uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geĂŻnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.2 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practices te delen. Ook werkt de Taskforce Antisemitismebestrijding momenteel aan gerichte voorstellen om de veiligheid van Joodse studenten te verbeteren. De Taskforce zal dit advies in februari publiceren. Naar aanleiding van dit advies ga ik na of er extra maatregelen nodig zijn om de veiligheid van Joodse studenten te borgen.
Indien sprake is van strafbare feiten zijn de politie en het Openbaar Ministerie (OM) verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging daarvan.
Vraag 4
Bent u het eens met de stelling dat universiteiten of andere
organisaties onder geen enkele voorwaarde mogen buigen of toegeven aan
dergelijke dreigementen?
Antwoord 4
Het is van groot belang dat instellingen altijd de vrijheid voelen om
zelfstandig en weloverwogen de afweging te maken met welke instellingen
of organisaties, zowel nationaal als internationaal, zij willen
samenwerken of zij de samenwerking willen beëindigen. Dit kan zijn om
verschillende redenen en gebaseerd op verschillende criteria, maar
altijd in lijn met wet- en regelgeving.
Vraag 5
Vindt u het acceptabel dat op sociale media dergelijke dreigementen
worden geuit in een poging om de universiteit te chanteren en vindt u
dat deze oproepen dienen te worden verwijderd? Graag een
toelichting.
Antwoord 5
Indien er sprake is van bedreiging is dat nooit acceptabel. Als het gaat
om strafbare bedreiging (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht) kan
dat gemeld worden bij het betreffende online platform om deze te laten
verwijderen. Online platformen, zoals social media kanalen, dienen zich
te houden aan de Digitaledienstenverordening (DSA). Zo verduidelijkt
deze verordening in artikel 16, derde lid, dat een melding van illegale
inhoud conform de vereisten van dat artikel leidt tot zogenaamde
âdaadwerkelijke kennis of bekendheidâ van die illegale inhoud bij een
hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moeten zij
onmiddellijk handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de
toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan kunnen ze
geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6
van de verordening en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die
illegale inhoud.
Daarnaast kan de officier van justitie op basis van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering, na toestemming van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om content ontoegankelijk te maken wanneer deze strafbare inhoud bevat.
Vraag 6
Dezelfde organisatie, Palestine Action, die nu dreigt met meer
vernielingen, heeft eerder vernielingen geclaimd en in het verleden
opgeroepen om de terroristen en moordenaars van 7 oktober te eren; welke
stappen worden tegen deze organisatie ondernomen?
Antwoord 6
Zoals de minister van JenV eerder aan uw Kamer communiceerde naar
aanleiding van schriftelijke vragen van het lid Diederik van Dijk
(SGP)3, biedt het demonstratierecht onder
geen beding een vrijbrief voor personen en organisaties om de wet te
overtreden; vernielen is nooit een acceptabele vorm van je mening uiten.
Demonstreren moet gebeuren binnen de grenzen van de wet. Het gebruik van
geweld en het opruien daartoe is strafbaar. Dit geldt ook voor acties
waarbij vernieling plaatsvindt.
Het waar mogelijk faciliteren van demonstraties en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen, is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan de minister van JenV of aan mij om in deze beoordeling te treden of om daarop vooruit te lopen. Daarnaast is het aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Vraag 7
Bent u het eens met de stelling dat het dringend noodzakelijk is om
alles op alles te zetten om een einde te maken aan de vernielingen,
intimidatie en chantage van pro-Palestijnse extremisten, en dus om het
volledige arsenaal van de rechtsstaat in te zetten van politie en
justitie om de daders op te sporen, te vervolgen en zwaar te bestraffen?
Graag een toelichting.
Vraag 8
Bent u het eens met de stelling dat vervolging van de daders een zeer
hoge prioriteit verdient en op welke manier wordt deze prioriteit
opgepakt door de bevoegde instanties? Graag een toelichting.
Antwoord op vragen 7 en 8
Binnen onze democratische rechtsstaat is het een groot goed dat eenieder de vrijheid heeft en voelt om zijn mening te laten horen, ook door middel van een demonstratie of protest. Dit grondrecht is echter niet onbegrensd. Waar strafbare feiten worden gepleegd, vormt het strafrecht een duidelijke grens. Het plegen van misdrijven, zoals bedreiging, geweld en openlijke geweldpleging heeft niks te maken met het recht om te demonstreren en hiervoor vindt in beginsel strafvervolging plaats. Opsporing en vervolging van dit soort misdrijven vindt plaats onder het gezag van het OM. Het is aan de opsporingsdiensten hoe in concrete gevallen middelen en capaciteit worden ingezet â daar hebben zowel de minister van JenV als ik zich niet in te mengen. Aangerichte schade wordt zo mogelijk verhaald op de dader(s); hierover heeft de minister van JenV eerder richting uw Kamer gecommuniceerd.4
Vraag 9
Eerder werd het Paleis op de Dam eveneens door tuig met rode verf
besmeurd, en op dat gebouw staan meerdere cameraâs gericht; zijn deze
beelden uitgelezen? Hoe loopt het onderzoek naar de daders? Hoe loopt
het onderzoek naar de bekladding met rode verf van het Koninklijk
Instituut voor de Tropen?
Antwoord 9
Naar beide incidenten is onderzoek gedaan. Uit die onderzoeken zijn geen
mogelijke verdachten naar voren gekomen. Om die reden zijn de
onderzoeken beëindigd.
Vraag 10
Bent u het eens met de stelling dat inmiddels een patroon is ontstaan
van bekladding en vernieling door pro-Palestina extremisten van
monumentale panden? Kunt u een overzicht geven van dergelijke
vernielingen en bekladdingen door pro-Palestijnse activisten sinds 7
oktober 2023, met een schatting van de schade?
Antwoord 10
Een dergelijk overzicht is niet te genereren. De registratie door
politie en OM van enkel strafbare feiten, maakt het niet mogelijk deze
te koppelen aan specifieke acties en/of organisaties.
Vraag 11
Hoeveel pro-Palestijnse activisten zijn opgenomen in een
persoonsgerichte anti-radicaliseringsaanpak?
Antwoord 11
In de lokale persoonsgerichte aanpak tegen radicalisering worden
personen besproken die een (potentieel) gevaar vormen voor de
(nationale) veiligheid, doordat zij vanuit hun ideologische
overtuigingen (indirect) geweld legitimeren of de bereidheid hebben om
activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen.
Activisme valt niet onder de reikwijdte van de persoonsgerichte aanpak
radicalisering. Het besluit over het al dan niet opnemen van een persoon
in de persoonsgerichte aanpak radicalisering ligt bij de lokale
weegploeg. Deze bestaat uit de betreffende gemeente, politie en het OM.
In artikel 5, derde lid, van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte
aanpak radicalisering en terroristische activiteiten is opgenomen, dat
de weging plaatsvindt aan de hand van objectieve criteria, die luiden:
de mate waarin betrokkene bereid is geweld toe te passen of te
propageren, de mate waarin betrokkene vasthoudt aan extremistische
denkbeelden, zijn/haar sociale relaties, de mate van identificatie met
een extremistische groep of ideologie en zijn/haar zelfredzaamheid.
Aangezien de weging lokaal wordt uitgevoerd, zijn de ideologische
motieven van personen die zijn opgenomen in de aanpak enkel op lokaal
niveau bekend.
Vraag 12
Bent u van mening dat het zaak is om universiteiten extra ondersteuning
te bieden om hun gebouwen te beveiligen zolang extremistische clubs
dreigen met vernieling en deze ook ten uitvoer brengen? Welke stappen
zet u om hier een einde aan te maken?
Antwoord 12
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor het borgen van de
veiligheid op hun instelling. Zij spannen zich dagelijks in om een
gedegen invulling te geven aan deze verantwoordelijkheid. Om
instellingen te ondersteunen in de belangrijke verantwoordelijkheid die
zij hebben, ga ik met de instellingen aan de slag met de evaluatie van
het subsidieprogramma âIntegrale Veiligheidâ 2016-2023. Het onderzoek
besteedt enerzijds aandacht aan de wijze waarop instellingen hun
veiligheidsbeleid hebben ingericht. Anderzijds richt dit onderzoek zich
nadrukkelijk op de coördinatie van het veiligheidsbeleid in de sector en
de rol van uniformering en samenwerking bij het versterken van de
veiligheid op de instellingen. Dit onderzoek zal inventariseren welke
ervaringen, lessen en opbrengsten dit programma in de instellingen heeft
opgeleverd die in de toekomst benut kunnen worden. Momenteel ben ik in
gesprek met de instellingen over de opzet en aanpak van dit onderzoek.
Naar verwachting kan ik uw Kamer in het najaar van 2026 informeren over
de uitkomsten en uw Kamer mijn reactie daarop geven.
Ik hecht er aan om, zoals ook vermeld in mijn Kamerbrief d.d. 18
december5, ook hier te benadrukken dat ik het
belangrijk vind dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid, waar
mogelijk, lokaal wordt genomen. Instellingen werken nauw samen met de
politie en lokale driehoek. Zij kunnen de situatie ter plekke het beste
inschatten en besluiten hoe hiermee om te gaan, waarbij het lokale gezag
gaat over de inzet van de politie. Hierover kan ik uw Kamer melden dat
de hogeronderwijsinstellingen op initiatief van Universiteiten van
Nederland (UNL) met de politie momenteel procesafspraken maken over hun
onderlinge samenwerking. Deze afspraken zijn onderdeel van de
inspanningen die instellingen en politie verrichten om de demonstraties
op campussen in goede banen te leiden en om ongeregeldheden te
voorkomen.
[1]Â Instagram, 13 december 2025 (https://www.instagram.com/reel/DSMgtvqjfQ9/)
Â