Antwoord op vragen van het lid Vermeer over de verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D03371, datum: 2026-01-26, bijgewerkt: 2026-01-26 15:26, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei (Ooit VVD kamerlid)
- Mede namens: J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Mede namens: M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (BBB)
Onderdeel van zaak 2025Z20947:
- Gericht aan: S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
- Gericht aan: M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Indiener: H. Vermeer, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
Geachte Voorzitter,
Hierbij zend ik u, mede namens de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de staatssecretaris voor Participatie en Integratie, de antwoorden op de vragen van het lid Vermeer (BBB) over de verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s (kenmerk: 2025Z20947; ingezonden: 2 december 2025).
Sophie Hermans
Minister van Klimaat en Groene Groei
2025Z20947
1
Bent u bekend met het feit dat kinderen in krimp- en grensregio’s een
bovengemiddelde kans hebben om in energiearmoede op te groeien?1
Antwoord
Ja het kabinet is bekend met het onderzoek van TNO over kinderen in energiearmoede. TNO heeft becijferd dat in 2024 naar schatting 510.000 huishoudens (circa 6% van het totaal aantal huishoudens) en 293.000 kinderen in energiearmoede leven. TNO laat daarbij zien dat kinderen die in energiearmoede opgroeien zich in een kwetsbaardere sociaaleconomische situatie bevinden. Zo is het huishoudinkomen vaak aanzienlijk lager. Energiearmoede komt het vaakst voor in de Randstad (frequentie), maar de diepte van energiearmoede is in de grensregio’s gemiddeld groter, doordat het gemiddelde inkomen lager ligt en de gemiddelde woonoppervlakte groter is2. In de overige regio’s zien we gemiddeld een lager percentage huishoudens in energiearmoede.
2
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen in krimp- en
grensregio's een grotere kans hebben om in energiearmoede op te
groeien?
Antwoord
Het kabinet vindt het belangrijk dat alle huishoudens in Nederland kunnen meekomen in de energietransitie en een betaalbare energierekening hebben, ongeacht waar iemand woont. Daarnaast zet het kabinet zich ook breed in om (de gevolgen) van kinderarmoede tegen te gaan 3. Geen kind zou in armoede moeten opgroeien. Daarom blijft dit kabinet zich er sterk voor maken om kinderarmoede aan ta pakken, waar dan ook in Nederland. Zoals in de beantwoording van vraag 1 is aangegeven, komt energiearmoede (onder kinderen) het vaakst voor in de Randstad en in grensregio’s. Om huishoudens in energiearmoede te ondersteunen heeft dit kabinet diverse maatregelen verlengd of verder uitgebreid, zoals de inzet van de Specifieke uitkering Energiearmoede aan gemeenten met in totaal € 550 miljoen, het Tijdelijk Noodfonds Energie en het verder uitfaseren van huurwoningen met een EFG-label. Zie hiervoor ook de Kamerbrief uit augustus vorig jaar: Monitor Energiearmoede 20244. De gevolgen die energiearmoede kan hebben op kinderen zijn daarbij belangrijk om mee te wegen in het te nemen beleid.
3
Hoe bent u van plan te waarborgen dat gezinnen met kinderen in krimp- en
grensregio’s toegang houden tot betaalbare energie?
Antwoord
Zoals in de beantwoording van vraag 2 is benoemd, hecht het kabinet eraan dat huishoudens in Nederland een betaalbare energierekening hebben. Hiertoe zijn diverse maatregelen genomen en nog steeds van kracht. Op dit moment werkt het kabinet ook aan de uitwerking van een publiek energiefonds5, waarmee aan huishoudens in energiearmoede tijdelijke financiële steun wordt geboden en huishoudens actief worden doorverwezen naar hulp bij het verduurzamen van de woning.
TNO heeft in opdracht van het Rijk naar aanleiding van een motie van het voormalig Kamerlid Postma6 een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van beleidsopties om energiearmoede verder tegen te gaan tijdens de energietransitie. De uitkomsten hiervan zijn recent met de Kamer gedeeld7.
4
Deelt u het inzicht dat krimpregio’s zoals Zuid-Limburg en
Noord-Groningen te maken hebben met een dubbele kwetsbaarheid, namelijk
(1) slechtere energetische kwaliteit van de woningvoorraad en (2)
demografische achteruitgang?
Antwoord
Uit cijfers van het CBS en een prognose van ABF Research8 blijkt dat elke regio zijn eigen demografische uitdagingen kent. Het kabinet deelt dat het aandeel energiearme huishoudens en de demografische ontwikkeling in de genoemde regio’s onze aandacht verdienen. In de genoemde regio’s is sprake van vergrijzing en het wegtrekken van jongeren, waardoor lokale faciliteiten onder druk komen te staan. Dat vraagt daarmee ook om een regionale aanpak die juist ook rekening houdt met de lokale gevolgen van demografische ontwikkelingen. Het kabinet en de regio’s werken samen om de kwaliteit van leven, wonen en werken van inwoners en ondernemers te verhogen, onder meer via de regiodeals.
5
Bent u bereid concrete maatregelen te nemen om in aansluiting op het
rapport ‘Elke regio telt!’ deze regionale ongelijkheden te verkleinen,
zo ja welke en zo nee waarom niet?
6
Op welke wijze wordt met betrekking tot de verhoogde kans op
energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s de regiotoets
uitgevoerd, zodat de gevolgen voor regio’s en plattelandsgebieden
expliciet worden meegewogen, in lijn met de aangenomen motie van het lid
Van der Plas over onderzoeken hoe een plattelandstoets nader uitgewerkt
kan worden en een rol kan spelen bij overheidsbeleid en wet- en
regelgeving (Kamerstuk 36 410, nr. 121)?
Antwoord 5 en 6
Het kabinet onderzoekt, in lijn met motie-Van der Plas, hoe een
plattelandstoets kan worden vormgegeven over de breedte van het
nationale beleid. Belangrijke input hiervoor volgt uit de Rural Policy
Review die in september 2025 van start is gegaan en loopt tot begin
2027. Dit onderzoek, dat wordt uitgevoerd door de OESO, heeft als doel
om meer inzicht te krijgen in de (sociaaleconomische) staat van het
landelijk gebied en de mogelijke beleidsinzet hierop, waar een
plattelandstoets onderdeel van kan zijn.
Het kabinet heeft daarnaast, in aansluiting op het rapport ‘Elke
regio telt’ en het daaruit voortgekomen Nationaal Programma Vitale
Regio’s, oog voor regionale en lokale ontwikkelingen, bijvoorbeeld bij
de aanpak van energiearmoede. De Monitor Energiearmoede geeft een
inschatting van energiearmoede op nationaal en lokaal niveau. De
verdeling van de Specifieke uitkering aanpak energiearmoede is gebaseerd
op het percentage huishoudens met energiearmoede in de verschillende
gemeenten. Verder is de aanpak van energiearmoede onderdeel geweest van
regio- en wijkgerichte programma’s. Zo was de bespaarcoach één van de
projecten van de Regio Deal Oost-Groningen I om woningeigenaren met een
laag inkomen te ondersteunen bij het verduurzamen van hun woning en het
besparen van energie. Door de City Deal Energieke Wijken zijn
huishoudens in de gebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en
Veiligheid (NPLV) geholpen bij het verduurzamen van hun woning.
Specifiek voor de regio’s Groningen en Noord-Drenthe is voor
toekomstbestendige woningen van goede energetische kwaliteit ook
maatregel 29 van Nij Begun van belang. Tenslotte dragen het Nationaal
isolatieprogramma, de Nationale prestatieafspraken met
woningcorporaties, de wijkaanpak met een regierol voor gemeenten en
andere subsidies en ondersteuning ook in deze regio’s bij aan de aanpak
van energiearmoede. Besluitvorming over verdere maatregelen om regio’s
en wijken te versterken en mogelijke verschillen terug te dringen is aan
een nieuw kabinet.
7
Kunt u een actuele uitsplitsing geven van energiearmoede naar regio,
inclusief het aantal huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie
(het structureel uitzetten of laag houden van verwarming)?
Antwoord
Het aantal energiearme huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie was in 2023 naar schatting circa 124 duizend. Dit is in kaart gebracht in de jaarlijkse Monitor Energiearmoede die met de Tweede Kamer is gedeeld9. TNO schat dat voor 2024 deze groep licht zal dalen in absolute aantallen, naar ongeveer 119 duizend huishoudens. De regionale verdeling van onderconsumptie is niet in kaart gebracht.
Figuur 1 presenteert de energiearmoedekaart van Nederland voor 2024 op gemeenteniveau10. De gemeenten waarbij het aandeel huishoudens met energiearmoede naar schatting boven 10% uit komt in 2024 zijn: Heerlen, Vaals, Enschede, Rotterdam, Almelo, Pekela, Oldambt, Maastricht, Arnhem en Kerkrade.
Figuur 1. percentage energiearme huishoudens per gemeenten in 2024 (voorlopige schatting)
8
Klopt het dat beleid rondom energiearmoede momenteel versnipperd is over
meerdere ministeries (Klimaat en Groene Groei, Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening, Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en dat hierdoor
een overkoepelende visie ontbreekt?
9
Bent u bereid een langetermijnstrategie energiearmoede op te stellen met
duidelijke doelen, indicatoren en interdepartementale coördinatie?
Antwoord 8 en 9
De ministeries van KGG, VRO en SZW werken samen aan de aanpak van energiearmoede. Huishoudens met energiearmoede hebben een laag inkomen, hoge kosten voor gas en elektriciteit en/of een woning van lage energetisch kwaliteit. Dit vraagt om een aanpak op verschillende fronten. De minister van VRO heeft het voortouw bij beleid dat gericht is op het verbeteren van de energetische kwaliteit van woningen. De minister van SZW is verantwoordelijk voor het behoud van koopkracht en gerichte financiële ondersteuning. De minister van KGG is stelselverantwoordelijk voor het energiesysteem, waaronder de betaalbaarheid van de energierekening.
In 2022 zijn de ministeries van KGG, VRO en SZW onder leiding van TNO het Landelijk Onderzoeksprogramma Energiearmoede gestart. Dit programma is september 2025 afgelopen, maar het vraagstuk blijft actueel. Structurele monitoring en meerjarige kennisontwikkeling blijft nodig om nationale en lokale besluitvorming over energiearmoede te ondersteunen. De ministeries van KGG, VRO en SZW hebben daarom in samenwerking met TNO en RVO het Nationaal Energiearmoede Observatorium (NEO) opgezet. Het NEO ontwikkelt en ontsluit kennis via (1) monitoring, (2) onderzoek en (3) kennisnetwerkbeheer. Het vervult ook een belangrijke signaalfunctie: het brengt zowel effectief beleid als knelpunten in de uitvoering vroegtijdig in beeld, zodat de overheid tijdig en gericht kan worden geïnformeerd en geadviseerd. Het observatorium is sinds 1 januari 2026 van start gegaan.
10
Herkent u de signalen dat de private sector - zoals netbeheerders en
energiebedrijven - bereid is een grotere rol te spelen in het opsporen
en oplossen van energiearmoede?
11
Bent u bereid deze rol te verankeren, bijvoorbeeld door afspraken over
vroegsignalering, datadeling en lokale samenwerking?
Antwoord 10 en 11
Bij de aanpak van energiearmoede hebben publieke en private partijen elk een eigenstandige rol. Veel energiebedrijven helpen met het bestrijden van energiearmoede door informatie te verstrekken over verduurzamen of over energiebesparing. Energiebedrijven hebben vaak een loket opgezet waarbij ze consumenten helpen met verduurzamen via informatieverstrekking of met het aanbieden van woningadvies op maat.
Publieke en private partijen werken samen bij het oplossen van betalingsproblemen. Het doel is om zo vroeg mogelijk te signaleren wanneer huishoudens in de problemen komen en tijdig een passende oplossing te bieden. Deze samenwerking is vastgelegd in de Energieregeling en in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en onderliggende afspraken. De bescherming van de consument is specifiek vastgelegd in de Energieregeling en recent uitgebreid en is vanaf 1 januari jl. van kracht. De vernieuwde regels zijn opgesteld in samenwerking met schuldhulpverleners, de VNG, energieleveranciers en Netbeheer Nederland.11 De regeling is erop gericht om de consument te beschermen en gezamenlijk afsluiting van energie te voorkomen. Concreet vereist de regeling leveranciers en netbeheerders om contact op te nemen met de consument om de betalingsachterstand op te lossen, bijvoorbeeld door een redelijke en passende betalingsregeling te treffen. Verder zijn de mogelijkheden tot gegevensuitwisseling tussen leveranciers en gemeente uitgebreid, zodat tijdig hulp geboden kan worden bij schuldhulpverlening. Het kabinet monitort continu hoe deze wijzigingen uitpakken.
12
Bent u bereid de rol van energiecoöperaties en energiecoaches te
versterken in de aanpak van energiearmoede, gelet op hun nabijheid en
het grotere vertrouwen dat zij genieten in wijken?
Antwoord
Ja. Gemeenten hebben in drie tranches in 2022 en 2023 in totaal € 550 miljoen ontvangen voor de aanpak van energiearmoede via de SPUK Aanpak Energiearmoede. Veel gemeenten hebben deze middelen ingezet door middel van de inzet van energiehulporganisaties, ook veelal lokaal gewortelde organisaties. De uitvoeringstermijn van deze SPUK is verlengd van 2025 naar 2027 zodat gemeenten meer tijd hebben voor de uitvoering. Op 7 november heeft het ministerie van SZW nog aanvullend 30 miljoen beschikbaar gesteld voor de lokale energiearmoedeaanpak12.
Daarnaast heeft het kabinet, naar aanleiding van amendementen Postma/Rooderkerk13, een subsidie van 7,5 miljoen euro verstrekt aan het Actienetwerk Energiehulp. Met dit netwerk, opgericht door Fixbrigade Nederland en Energiebank Nederland, wordt gewerkt aan het bestrijden van energiearmoede en een rechtvaardige energietransitie. Dat doet het netwerk door lokale sociaal-maatschappelijke energiehulp-initiatieven op te zetten of te versterken waar dat nodig is, en door te bouwen aan een landelijk netwerk van lokaal gewortelde energiehulp-initiatieven die een bewezen effectieve energiehulp-aanpak toepassen.
De SPUK Aanpak Energiearmoede is ingezet in reactie op de energiecrisis van 2022. De middelen lopen nu af. De inzet voor het Europese Sociaal Klimaat Fonds en eventuele andere besluitvorming over verdere maatregelen die kunnen bijdragen aan de aanpak van energiearmoede nemen de lessen uit de ervaringen hiervan mee. Ook inzichten uit het recent verschenen onderzoek van TNO over energiearmoede ter opvolging van de motie-Postma bieden handvatten daartoe14.
13
Hoe gaat u gemeenten ondersteunen in het benutten van bestaande
buurtpunten en wijkcentra bij het bereiken van moeilijk bereikbare
groepen, waaronder bewoners met diverse culturele achtergronden?
Antwoord
Bij het signaleren en aanpakken van geldzorgen is het belangrijk dat er
laagdrempelige hulproutes zijn. Er zijn ruim twintigduizend
vrijwilligers die mensen met geldzorgen begeleiden aan de keukentafel.
SZW stimuleert dit middels een subsidie aan de Alliantie Vrijwillige
Schuldhulp. Ook zijn er inmiddels 170 inlooppunten waar vrijwilligers
mensen met geldzorgen helpen; ook hiervoor heeft SZW subsidie verstrekt.
Deze en andere hulproutes worden beter vindbaar gemaakt door
publiekscampagnes samen met Geldfit. Ook lopen er trajecten om
huisartsen, geboortezorg, scholen, werkgevers etc. te betrekken bij de
aanpak van geldzorgen. Meer hierover staat in het Nationaal Programma
Armoede & Schulden, die de Kamer in juni 2025 heeft ontvangen15.
Tevens wordt samengewerkt met sleutelpersonen en ervaringsdeskundigen.
Het is vaak lastig voor mensen met geldzorgen om hulp te vragen en in
contact te komen met maatschappelijke en gemeentelijke organisaties.
Andersom geldt dit ook. Daarvoor heb je mensen nodig die een brug kunnen
slaan tussen deze organisaties en inwoners met geldzorgen. In een aantal
gemeenten zijn ervaringswerkers en sleutelpersonen aan de slag gegaan om
verbinding te leggen met inwoners en hen actief in contact te brengen
met organisaties die hulp en ondersteuning bieden. Deze aanpak wordt nu
uitgerold in andere gemeenten. Divosa, Pharos, Stichting
Expertisecentrum Sterk uit Armoede, Vereniging Humanitas, Nederlands
Centrum Jeugdgezondheid, en Sociaal Werk Nederland16
versterken netwerken die het gesprek over geld stimuleren, waarin zorgen
erkend worden en hulp snel te vinden is. In dit project wordt daarom
onder andere ingezet op het trainen van ervaringswerkers en
sleutelpersonen waarbij de geleerde lessen worden meegenomen.
14
Hoe voorkomt u dat huurders opgescheept blijven met torenhoge
energierekeningen als gevolg van slechte woningkwaliteit waar zij zelf
niet in kunnen of mogen investeren?
Antwoord
In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) is met woningcorporaties afgesproken dat woningcorporaties zich inzetten om uiterlijk in 2028 alle E, F en G-labels uit de sector te laten verdwijnen. Zij zijn hierin al goed op weg. Het aantal sociale huurwoningen met een EFG-label is gedaald van 180.700 in 2023 naar 127.500 in 2025. In de NPA is ook afgesproken meer in te zetten op reductie van de gemiddelde warmtevraag van huurwoningen door isolatie. In 2030 wordt verwacht dat ruim 800.000 huurders bij sterk verbeterde isolatie €350 tot €550 euro per jaar kunnen besparen. Het aantal corporatiewoningen met een A-label of hoger is 47%.
Met het opnemen van minimum energieprestatie-eisen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor huurwoningen zorgen we voor toekomstbestendige woningen voor alle huurders. Het uitgangspunt hierbij is dat een juridische regeling moet zorgen dat een goed evenwicht ontstaat tussen de belangen van verhuurders, huurders en het algemeen belang. Alle eigenaren van huurwoningen met een energielabel E, F of G moeten hun pand uiterlijk op 1 januari 2029 verduurzamen naar minimaal energielabel D. Het opnemen van de eis draagt bij aan meer grip op de energierekening en beter wooncomfort van huurders. De verhuurder verbetert de woning, wat zich terugvertaalt in een hogere waarde van de woning en in de huurprijs. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 9 januari 202617 wordt parallel aan de Bbl-wijziging bekeken hoe de huurregels in het Burgerlijk Wetboek (BW) moeten worden aangepast, zodat investeringen in verduurzaming eenvoudiger in de huurprijs kunnen worden verwerkt. Het voornemen is om voor de wijziging van het BW begin 2026 een internetconsultatie te starten. Het uitgangspunt wat het kabinet wil hanteren is dat een verhuurder hierbij een redelijke huurverhoging kan vragen gezien de nodige investering en verbetering. Het voorstel om de eisen op te nemen in het Besluit bouwwerken leefomgeving is in november in internetconsultatie gegaan.
Bij de invoering van de Wet betaalbare huur per 1 juli 2024 is in het woningwaarderingsstelsel (WWS) een puntenaftrek voor energielabels E, F en G opgenomen. Daarmee worden verhuurders nu ook al financieel geprikkeld de woningen met de laagste energielabels uit te faseren. Met onder andere een uitbreiding en verbetering van de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH) worden private verhuurders ondersteund in het realiseren van de verduurzaming.
Huurders kunnen daarnaast gebruik maken van het wettelijk initiatiefrecht. Dit houdt in dat huurders verduurzaming bij de rechter af kunnen dwingen, als zij hiertoe een redelijk voorstel doen. Een ontwerpwetsvoorstel om het initiatiefrecht uit te breiden, zodat huurders ook initiatief kunnen nemen voor een maatregel als een (hybride) warmtepomp, is in internetconsultatie gebracht.
15
Wilt u de Kamer uiterlijk eind december dit jaar informeren over wat u
gaat doen met de aanbevelingen uit het rapport van TNO?
Antwoord
Energiearmoede onder kinderen is onverminderd een belangrijk onderwerp. Jaarlijks brengt de Monitor Energiearmoede de ontwikkelingen van energiearmoede in kaart. De Kamer heeft daarnaast enkele weken geleden het TNO onderzoek ontvangen waarbij is onderzocht hoe energiearmoede zich zal ontwikkelen gedurende de energietransitie op basis van een factoranalyse18. Om energiearmoede te verlagen, heeft TNO acht beleidsmaatregelen onderzocht; vier hiervan hebben een significant positief effect op het verlagen van energiearmoede. Besluitvorming over eventuele generieke of gerichte maatregelen zoals genoemd in het rapport, is aan een volgend kabinet omdat dergelijke maatregelen een meerjarige beleidsaanpak vergen en ook forse budgettaire consequenties kunnen hebben. Zowel het rapport van TNO naar energiearmoede onder kinderen als het eerder genoemde onderzoek naar de effecten van beleidsopties op energiearmoeden bieden hier relevante overwegingen voor.