Antwoord op vragen van het lid Ergin over het niet naar tevredenheid beantwoorden van een vraag over de Catshuissessie met moslimjongeren
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D03331, datum: 2026-01-26, bijgewerkt: 2026-01-26 15:02, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Onderdeel van zaak 2025Z20269:
- Gericht aan: J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Indiener: D.A. Ergin, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 956
2025Z20269
Antwoord van staatssecretaris Nobel (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 26 januari 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 686
1. Hoeveel berichten heeft u precies ontvangen toen u stelde dat uw inbox na de Catshuissessie “volstroomde” met reacties? Om welke inbox gaat het?
Tijdens het debat heb ik, in reactie op uw vragen over een Trouw-artikel over de Catshuissessie met moslimjongeren, aangegeven dat ik naast de in het artikel aangehaalde reacties ook andere reacties over het gesprek zelf heb ontvangen. Daarbij gaat het om deelnemers die ik na afloop van het gesprek gesproken heb en om een aantal berichten die ik van een van de deelnemers aan de Catshuissessie heb ontvangen in mijn persoonlijke LinkedIn-inbox.
2. Kunt u specificeren binnen welke datum en tijdspanne deze vermeende stroom aan berichten binnenkwam?
Hierbij gaat het om berichten die ik, na afloop van de Catshuissessie, op 27 augustus en op 29 augustus heb ontvangen.
3. Op basis van welke objectieve criteria kwam u tot de conclusie dat uw inbox “volstroomde”? Kunt u de onderbouwing van deze kwalificatie inzichtelijk maken?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 heb ik tijdens het debat verwoord dat ik van diverse aanwezigen andere reacties over het gesprek zelf heb ontvangen, zowel na afloop van het gesprek als later op digitale wijze.
4. Hoe rijmt u uw publieke bewering van een “stroom aan berichten” met uw weigering om deze correspondentie -zelfs volledig geanonimiseerd- met de Kamer te delen? Kunt u deze tegenstrijdigheid toelichten?
In uw eerdere Kamervragen is niet gevraagd naar een geanonimiseerde opsomming, maar naar “de volledige correspondentie, inclusief de reacties en berichten”. In de beantwoording op deze vragen is toegelicht waarom het niet wenselijk is om de correspondentie op de gevraagde manier openbaar te maken. Ik vind het belangrijk dat burgers zich vrij voelen om hun ervaringen rechtstreeks met een bewindspersoon te delen. Dat kan alleen als zij erop kunnen vertrouwen dat hun persoonlijke berichten niet zonder meer openbaar worden gemaakt. Het waarborgen van dat vertrouwen is van groot belang voor een open en veilige uitwisseling tussen burgers en overheid, zeker bij gevoelige onderwerpen als discriminatie en uitsluiting. Daarbij gaat het hier om enkele betrokkenen.
Ondanks deze toelichting, houdt u vast aan uw verzoek. Een goede verhouding tussen parlement en kabinet acht ik van groot belang en vanzelfsprekend hecht ik waarde aan het, waar mogelijk, verstrekken van gevraagde inlichtingen. Daarom heb ik betrokkene geïnformeerd dat de correspondentie geanonimiseerd openbaar wordt gemaakt. Het gaat om twee berichten, verzonden op 27 en 29 augustus jongstleden.
In het eerste bericht wordt geschreven: “Hoi Jurgen, ik wil je graag even bedanken voor het gesprek van vandaag. Ik voelde dat je daar oprecht zat om te luisteren en helpen. Dat waardeer ik enorm. Ondanks (of door) de emoties en zwaarte, denk ik dat we de eerste ‘muren’ hebben afgebroken en een hele mooie stap hebben gezet. Bedankt voor je bereidwilligheid, openheid en aanwezigheid ondanks de drukte!”.
De reactie hierop is: “Goedemorgen [naam], bedankt voor je bericht. Ik vond het een constructief gesprek. Jammer van de negatieve berichtgeving over het overleg in de media.”.
In het tweede bericht wordt geschreven: “Fijn om te horen. Ja dat is inderdaad jammer, maar ik kijk terug op een waardevol gesprek waarin we samen een mooie stap hebben gezet.”.
5. Bent u bereid te bevestigen dat uw uitspraak over het
“volstromen” van uw inbox gebaseerd is op feitelijk verifieerbare
correspondentie? Zo ja, waarom weigert u dan de mogelijkheid tot
verificatie?
Ja. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 1 en 4.
6. Kunt u uitsluiten dat uw uitspraak over een “stroom aan berichten” een overdrijving is geweest of een verkeerde indruk heeft gewekt over de werkelijke hoeveelheid reacties? Zo ja, waarop baseert u dat uitgesloten kan worden?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1 en 4.
7. Waarom heeft u niet gekozen voor een geanonimiseerde
opsomming van de ontvangen berichten bijvoorbeeld het aantal reacties,
de globale aard van de inhoud, de verhouding tussen positieve en
negatieve signalen zodat de Kamer kan toetsen of uw uitspraak feitelijk
juist was?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
8. Vindt u het verantwoord om in een parlementair debat een
beroep te doen op de hoeveelheid ontvangen reacties, terwijl u
vervolgens geen enkele vorm van onderbouwing of verificatie verstrekt
aan de Kamer?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
9. Erkent u dat uw weigering om enige onderbouwing te geven bij uw claim van een “stroom aan berichten” de indruk kan wekken dat deze stroom niet (in die omvang) heeft plaatsgevonden?
Waarom wel of niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1 en 4.
10. Waarom duurde het 69 dagen voordat u met een antwoord
kwam dat geen aantallen noemt, geen categorisering bevat en geen enkele
onderbouwing geeft van uw publieke uitspraak?
Het verzoek om de correspondentie ziet toe op mondelinge gesprekken en ontvangen berichten in mijn persoonlijke LinkedIn-inbox. Het beoordelen van de wijze waarop deze informatie openbaar gemaakt kan worden, kostte meer tijd dan op voorhand voorzienbaar was.
11. Kunt u toelichten op basis van welke concrete
uitzonderingsgrond uit de Wet open overheid (Woo) u heeft besloten om
geen enkel onderdeel van de door u genoemde berichten te verstrekken,
ook niet in geanonimiseerde of samengevatte vorm, terwijl de Woo
nadrukkelijk mogelijkheden biedt voor gedeeltelijke openbaarmaking en
anonimisering? Welke Woo-grond past u precies toe, en
waarom?
Voor de goede orde merk ik op dat voor de informatievoorziening aan de
Kamer niet de Woo, maar artikel 68 van de Grondwet het wettelijk kader
vormt. Zoals ik in het antwoord in vraag 4 heb toegelicht is de
persoonlijke levenssfeer van betrokkenen aan de orde. Daarbij vind ik
het belangrijk dat burgers zich vrij voelen om hun ervaringen
rechtstreeks met een bewindspersoon te delen, zonder dat zij bang hoeven
te zijn dat deze berichten openbaar worden gemaakt. Deze uitleg heeft u
niet op andere gedachten gebracht. Nu ik een goede verhouding tussen
parlement en kabinet van groot belang achten waarde te hecht aan het,
waar mogelijk, verstrekken van gevraagde inlichtingen, heb ik betrokkene
geïnformeerd dat de correspondentie openbaar wordt gemaakt.
Ik kom aan uw verzoek tegemoet door bij vraag 4 de geanonimiseerde versie van berichten te verstrekken.
12. Kunt u aan de Kamer geanonimiseerd doen toekomen de
volledige correspondentie, inclusief de reacties en berichten die u naar
eigen zeggen na de Catshuissessie over moslimdiscriminatie in uw inbox
heeft ontvangen, en deze openbaar maken zodat de Kamer inzicht krijgt in
de zorgen, pijnlijke ervaringen en kritische signalen die daaruit naar
voren zijn gekomen, mede in het licht van de uitlatingen van deelnemers
die aangeven met 'buikpijn' uit het gesprek te zijn gekomen en die
politici die bij dit gesprek aanwezig waren ervoeren als faciliterend
aan moslimhaat? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
13. Ziet u in dat uw weigering om de door u zelf aangehaalde
correspondentie met de Kamer te delen de situatie creëert waarin
Kamerleden zich genoodzaakt kunnen voelen om via de Woo toegang tot
informatie te vragen, en acht u dat wenselijk in het licht van de
verhouding tussen parlement en kabinet?
Zoals aangegeven is voor de informatievoorziening aan de Kamer niet de
Woo, maar artikel 68 van de Grondwet het wettelijk kader. Het recht op
inlichtingen van een Kamerlid op grond van artikel 68 van de Grondwet is
minimaal even sterk als het recht op openbaarheid onder de Woo.
Kamerleden hoeven zich dan ook niet op de Woo te beroepen om toegang tot
informatie te krijgen.
14. Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Op 16 december 2025 heeft u hieromtrent een uitstelbrief ontvangen.