Verslag
Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het beperken van de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers
Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)
Nummer: 2026D03204, datum: 2026-01-26, bijgewerkt: 2026-01-26 10:23, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E. van der Burg, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (VVD)
- Mede ondertekenaar: E.E. van den Broek, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36869 -6 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het beperken van de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers .
Onderdeel van zaak 2025Z21836:
- Indiener: M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Medeindiener: A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
- Volgcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2025-12-16 16:30: Procedurevergadering Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2025-12-18 09:30: Procedurevergadering tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (Procedurevergadering), tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
- 2026-01-13 15:10: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-01-21 14:00: Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het beperken van de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (š origineel)
36 869 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het beperken van de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers
Nr. 6 VERSLAG
Vastgesteld 26 januari 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
I. Algemeen
Inleiding
Hoofdlijnen van het voorstel
Verhouding tot hoger recht
Gevolgen
Bedrijfseffectentoets
Uitvoering
Misbruik, oneigenlijk gebruik en toezicht en handhaving
Financiƫle gevolgen
Advies en consultatie
Overgangsrecht en inwerkingtreding
Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en de daarbij behorende stukken. Deze leden onderschrijven het belang van houdbare overheidsfinanciƫn en begrijpen de wens van de regering om de compensatieregeling voor de transitievergoeding gerichter in te zetten. Tegelijkertijd hechten deze leden aan een zorgvuldige belangenafweging tussen werkgevers en werknemers, mede gelet op de kwetsbare positie van langdurig arbeidsongeschikte werknemers en de bredere werking van het arbeidsrechtelijke stelsel. Zij hebben daarom enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het beperken van de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers. Deze leden onderschrijven het belang van houdbare overheidsfinanciĆ«n en het uitgangspunt dat ondersteuning primair terechtkomt bij kleine werkgevers. Tegelijkertijd zijn deze leden kritisch op de ingeslagen koers en maken zij zich zorgen over de toenemende lasten en onzekerheden voor het midden- en kleinbedrijf (mkb), in het bijzonder voor werkgevers die net buiten de gekozen definitie van ākleine werkgeverā vallen. Deze leden hebben hierover een aantal vragen aan de regering.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben nog enkele vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben met stijgende belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en de daarbij behorende stukken. Deze leden constateren dat hier in wezen een forse bezuinigingsoperatie wordt vormgegeven die tegelijkertijd een onderdeel van het Nederlandse ontslag- en socialezekerheidsstelsel raakt, waarin Nederland binnen de Europese Unie een tamelijk unieke en vergaande uitzonderingspositie inneemt.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het beperken van de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers. Deze leden snappen de wens van de regering om de lasten voor de overheid terug te dringen maar maken zich wel zorgen over de gevolgen van het afschaffen van de compensatie voor de grotere bedrijven. Met name bij arbeidsintensieve bedrijven die net over de grens van 25 werknemers vallen kunnen er problemen ontstaan.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik enkele vragen te stellen over het wetsvoorstel.Ā
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben nog enkele vragen.
Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de compensatieregeling destijds is ingevoerd om slapende dienstverbanden tegen te gaan. Deze leden vragen de regering om te reflecteren op de invoering van deze wet, de doelen die daarbij hoorden en expliciet te benoemen welke problemen voor werknemers aan de ene kant en werkgevers aan de andere kant destijds aanleiding waren voor deze wetgeving.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de regering kan verantwoorden dat zij, met kennis van deze eerdere misstanden en de negatieve gevolgen voor werknemers, nu kiest voor het afschaffen van juist die maatregel die bedoeld was om slapende dienstverbanden te voorkomen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen specifiek waarom de regering ervoor kiest om werknemers wederom te confronteren met de problemen die horen bij slapende dienstverbanden, zoals het onthouden van transitievergoedingen, langdurige onzekerheid, een afhankelijkheidspositie ten opzichte van de werkgever en onzekerheid en stress.
De leden van de CDA-fractie lezen dat enkel in Nederland zowel een verplichte loondoorbetaling bij ziekte van twee jaar bestaat als een verplichte vergoeding voor wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt op initiatief van de werkgever in de vorm van een transitievergoeding. Deze leden lezen dat de regering hierover schrijft dat de twee aspecten een ander doel hebben. Deze leden vragen of de regering nader kan reflecteren op de wenselijkheid van een transitievergoeding na twee jaar loondoorbetaling bij ziekte en daarbij ook in kan gaan op het doel en de doelmatigheid daarvan. Kan de regering daarbij ook ingaan op de vraag in hoeverre deze transitievergoeding nog bijdraagt aan het vergemakkelijken van de overgang naar andere werk op een wijze waar de loondoorbetaling bij ziekte niet in voorziet? Voorts vragen deze leden hoe deze regeling zich verhoudt tot onze buurlanden.
De leden van de SGP-fractie vragen naar de reden, de achtergrond en de gedachtegang achter deze maatregel. Is deze besparing gekoppeld aan een specifieke maatregel of gaat het om een generieke besparing?
Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de D66-fractie begrijpen dat de regering kiest voor aansluiting bij de Wfsv-definitie van kleine werkgever omwille van eenvoud, uitvoerbaarheid en rechtszekerheid. Deze leden achten dit in beginsel een logische keuze. Wel vragen zij de regering nader toe te lichten hoe wordt geborgd dat werkgevers die net boven de grens vallen niet onevenredig hard worden geraakt, met name in sectoren met een relatief hoog ziekteverzuim. Kan de regering nader inzicht geven in de spreiding van de financiƫle effecten voor middelgrote werkgevers, en in hoeverre hierbij sprake kan zijn van cumulatie met andere werkgeverslasten bij langdurige ziekte?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering ontkent of het hoofddoel van deze wetswijziging is om te bezuinigen. Deze leden vragen voorts welke beleidsdoelen hiermee gemoeid zijn en die hiermee dichterbij worden gebracht. Tevens vragen deze leden welke visie ten grondslag ligt aan deze wetswijziging.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering inschattingen heeft gemaakt van het aantal extra slapende dienstverbanden dat als gevolg van deze maatregel kan ontstaan, en zo ja, deze met de Kamer te delen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er sinds de invoering van de compensatieregeling sprake is geweest van monitoring of evaluatie van het aantal slapende dienstverbanden. Deze leden vragen de uitkomsten hiervan te delen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de beperking van de compensatieregeling primair wordt gemotiveerd vanuit het belang van houdbare overheidsfinanciƫn en leidt tot een structurele besparing van circa 380 miljoen euro. De Raad van State merkt daarbij op dat deze keuze de fundamentele vraag naar de rechtvaardiging van de verplichte transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid opnieuw op tafel legt.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering hoe zij in dit wetsvoorstel expliciet heeft geborgd dat de beperking niet verder gaat dan noodzakelijk, gelet op de constatering dat in circa 80% van de gevallen de kosten weer volledig bij werkgevers komen te liggen. Ook vragen deze leden in hoeverre is onderzocht of de budgettaire doelstelling had kunnen worden bereikt met een minder scherpe afbakening die het risico voor mkb-ondernemers verder beperkt.
De leden van de JA21-fractie merken op dat volgens de memorie van toelichting circa 34.000 middelgrote en grote werkgevers geen gebruik meer zullen kunnen maken van de compensatieregeling, terwijl de gemiddelde compensatie bij langdurige arbeidsongeschiktheid circa 16.000 euro per werknemer bedraagt. Kan de regering een indicatieve uitwerking geven van de gemiddelde extra lasten voor middelgrote/grote werkgevers, uitgesplitst naar sectoren met relatief laag en hoog ziekteverzuim, en daarbij ingaan op de gevolgen voor winstgevendheid en investeringsruimte?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering nader toe te lichten waarom is gekozen voor de route ācompensatie beperken tot kleine werkgeversā, en niet voor het door de Raad van State geschetste alternatief, het (gedeeltelijk) schrappen van de verplichte transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, serieus te betrekken als optie om de stapeling van werkgeverslasten bij langdurige ziekte structureel bij de bron aan te pakken.
De leden van de BBB-fractie merken op dat de grens van 25 werknemers nog niet per definitie iets zegt over de financiĆ«le ruimte van een onderneming. Hoe heeft de regering dat meegewogen?Ā Waarom is gekozen voor de grens van 25 werknemers en welke (flankerende) maatregelen worden getroffen als blijkt dat middelgrote en grote werkgevers in sectoren met hoge loonsom-aandelen hierdoor onevenredig worden geraakt?Ā
De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat het noodzakelijk is dat de positie van werkgevers op punten verbetert. Een stap in die richting zou kunnen zijn om de transitievergoeding af te schaffen na twee jaar ziekte. Hoe kijkt de regering naar dit voorstel? Werknemer heeft immers twee jaar salaris doorbetaald gekregen en bij definitieve arbeidsongeschiktheid is een vangnet aanwezig. De combinatie van het twee jaar doorbetalen van loon na ziekte en de transitievergoeding is daarnaast uniek voor Nederland, wat een ongelijk speelveld creƫert voor bedrijven.
De leden van de SGP-fractie lezen dat het aantal uitbetalingen in de achterliggende jaren is gestegen, vanwege een stijging van het aantal langdurig zieke werknemers. Deze leden zien het terugdringen van het aantal langdurige ziekwerknemers als een alternatieve optie om te besparen op de overheidsuitgaven. Welke stappen worden op dit punt gezet, welke aanvullende maatregelen zouden kunnen worden genomen en wat leveren die globaal op? In hoeverre acht de regering een hervorming van ons stelsel op dit punt noodzakelijk, en welke voornemens heeft de regering hieromtrent?
De leden van de SGP-fractie lezen dat de regering stelt dat middelgrote en grote werkgevers financieel draagkrachtig genoeg zouden zijn voor het betalen van de transitievergoeding. Deze leden vragen de regering hiervoor onderbouwing aan te leveren. Waarop baseert zij dat, en kan zij hiervoor ook onafhankelijke, cijfermatige onderbouwing aanleveren?
De leden van de SGP-fractie vragen waarom is gekozen voor de grens van 25 werknemers en welke (flankerende) maatregelen worden getroffen als blijkt dat middelgrote en grote werkgevers in sectoren met hoge loonsom-aandelen hierdoor onevenredig worden geraakt.
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre serieus is overwogen de transitievergoeding volledig af te schaffen, en wat zouden daarvan de consequenties zijn voor werkgevers, werknemers en de overheid.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering in de memorie van toelichting aangeeft dat het beperken van de compensatiemogelijkheid tot kleine werkgevers als passend wordt gezien, omdat van middelgrote en grote werkgevers wordt verwacht dat ze financieel draagkrachtig genoeg zijn om de transitievergoeding bij ontslag te betalen zonder dat daar een compensatie tegenover staat. Deze leden vragen of de regering een nadere onderbouwing kan geven van deze stelling. Is er bijvoorbeeld voorafgaand onderzoek gedaan naar de draagkracht van middelgrote en grote werkgevers?
Daarnaast merken de leden van de ChristenUnie-fractie op dat de regering geen hardheidsclausule heeft toegevoegd voor bedrijven en organisaties die niet voldoen aan de definitie van ākleine werkgeverā zoals die is geformuleerd in dit wetsvoorstel.Ā Als argument noemt de regering dat zij veel waarde hecht aan vereenvoudiging en beperkte regeldruk. Deze leden vragen de regering of overwogen is om organisaties zonder winstoogmerk ook onder de definitie van ākleine werkgeverā te laten vallen, en zo nee, waarom niet.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering alsnog een wettelijke uitzondering te maken voor sociaal werkbedrijven. Deze leden vragen de regering nader te motiveren waarom zij geen reden ziet om voor deze sector een uitzondering te maken. Erkent de regering dat dit wetsvoorstel ertoe kan leiden dat sociaal werkbedrijven minder in staat worden gesteld om mensen met een chronische ziekte of arbeidsbeperking te ondersteunen naar werk? Acht zij dit wenselijk? Erkent de regering dat de kern van sociaal werkbedrijven re-integratie is waardoor het risico op uitval moeilijk of niet te verspreiden is over andere werknemers? Deze leden zijn benieuwd naar de redenatie van de regering achter het besluit om geen uitzondering te maken.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat in de praktijk een transitievergoeding vaak wordt gebruikt als praktisch āsmeermiddelā om een oplossing te creĆ«ren voor een arbeidsconflict om tot tevredenheid van beide partijen uit elkaar te gaan. Deze leden vragen of de regering verwacht of dit verandert als gevolg van dit wetsvoorstel. Acht de regering het als mogelijk gevolg dat door het wegvallen van compensatie voor transitievergoedingen werkgevers minder geneigd zullen zijn om transitievergoedingen in het algemeen overeen te komen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen van de regering een nadere duiding op de verwachte gevolgen van voorliggend wetsvoorstel in relatie tot de Xella-norm. Erkent de regering dat het onwenselijk is dat het afhankelijk wordt van de grootte van de werkgever of een langdurig zieke werknemer een beroep kan doen op goed werkgeverschap en de Xella norm? Of verwacht de regering dat ook na dit wetsvoorstel de norm van goed werkgeverschap en de Xella norm in stand zal blijven?
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de Belastingdienst een werkgever kwalificeert als klein of (middel)groot op basis van loongegevens van twee jaar eerder. Zoals de Raad van State ook aangeeft in haar advies vergroot dit de kans dat zich in de tussentijd ontwikkelingen voordoen, zoals een reorganisatie van de onderneming om een faillissement af te wenden, waardoor een als middelgroot aangemerkte werkgever in de actualiteit een kleine werkgever is geworden. Hij ontvangt voor een betaalde transitievergoeding echter geen compensatie, terwijl aangenomen wordt dat hij onvoldoende financiĆ«le draagkracht heeft. Dit zou onrechtvaardig zijn. De regering gaat in haar reactie op de Raad van State niet in op deze constatering. Deze leden verzoeken de regering of zij dit alsnog wil doen.Ā Bovendien draagt de regering als argument voor het in stand houden van de compensatieregeling aan dat kleine werkgevers de lasten van deĀ transitievergoeding mogelijk niet kunnen dragen. Deze leden vragen de regering of zij, in het licht van dit argument, het rechtvaardig acht dat een werkgever, die feitelijk een kleine werkgever is, geen compensatievergoeding ontvangt ten gevolge van de kwalificatie van de Belastingdienst van twee jaar eerder.Ā
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook een vraag over transitievergoedingen bij het niet verlengen van een tijdelijk contract. Sinds 1 januari 2020 hebben werknemers recht op een transitievergoeding bij het aflopen van een tijdelijk contract. Heeft de regering signalen dat ook op dit punt kleine werkgevers moeite hebben om de kosten voor deze vergoedingen te betalen? Overweegt de regering om ook op dit punt een wijziging voor te stellen ten voordele van kleine werkgevers? Kan de regering dit nader toelichten?
Verhouding tot hoger recht
De leden van de PVV-fractie constateren dat de regering stelt dat het schrappen van de verplichte transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid zou kunnen leiden tot een ongerechtvaardigd onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte. De Raad van State plaatst hierbij echter kanttekeningen en stelt dat sprake is van wezenlijk verschillende omstandigheden, gelet op de stapeling van werkgeversverplichtingen bij langdurige ziekte.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering nader toe te lichten waarom zij het standpunt van de Raad van State op dit punt niet volgt en waarom zij van oordeel blijft dat een dergelijke differentiatie juridisch niet verdedigbaar zou zijn.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de regering stelt dat afschaffing of beperking van de transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid zou leiden tot een ongerechtvaardigd indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte, terwijl de Raad van State erop wijst dat juist in het geval van langdurige arbeidsongeschiktheid de doelen van de transitievergoeding niet zonder meer op dezelfde wijze aan de orde zijn en dat het alternatief van het (deels) schrappen van de verplichting tot betaling nader en meer fundamenteel moet worden gewogen. Kan de regering juridisch meer onderbouwd uiteenzetten waarom een gedifferentieerde benadering na twee jaar ziekte (bijvoorbeeld een lagere of anders gefinancierde vergoeding) niet verenigbaar zou zijn met het gelijkheidsbeginsel, mede in het licht van bestaande uitzonderingen, zoals de beperkte bescherming bij ontslag na faillissement?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering specifiek kan ingaan op de stelling van de Raad van State en de Raad voor de rechtspraak dat dit wetsvoorstel leidt tot een ongelijk speelveld voor langdurig zieke werknemers zelf, doordat het, mede door de Xella-norm, uitmaakt of iemand bij een kleine dan wel middelgrote/grote werkgever in dienst is voor de feitelijke mogelijkheid om het dienstverband te laten beƫindigen met transitievergoeding. Acht de regering dit verschil juridisch houdbaar en wenselijk?
Gevolgen
De leden van de D66-fractie constateren dat de regering erkent dat het risico op het opnieuw ontstaan van slapende dienstverbanden toeneemt voor werknemers bij middelgrote en grote werkgevers. Deze leden begrijpen dat de regering dit risico lastig kwantitatief kan inschatten, maar achten het wel van belang dat dit effect nauwlettend wordt gevolgd. Is de regering bereid om expliciet te monitoren in hoeverre het aantal slapende dienstverbanden na inwerkingtreding van deze wet toeneemt en de Kamer hierover te informeren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering erkent dat werknemers hierdoor mogelijk niet langer effectief kunnen verzoeken om beƫindiging van een slapend dienstverband. Deze leden vragen hierbij in te gaan op de Xella-beslissing van de Hoge Raad en of de juridische basis die gelegen is in de compensatie nog bestaat na deze wetswijziging. Deze leden vragen voorts mee te nemen wat voor invloed het heeft dat de compensatie voor een deel van de werkgevers nog wel bestaat na deze wetswijziging en voor een deel niet. Deze leden vragen of dit een onderscheid creƫert in de rechtsbescherming van werknemers. Deze leden vragen hoe dit zich verhoudt tot de bescherming die de wetgever eerder juist noodzakelijk achtte.
De leden van de PVV-fractie constateren dat middelgrote en grote werkgevers na inwerkingtreding geen aanspraak meer kunnen maken op compensatie en dat de gemiddelde compensatie bij langdurige arbeidsongeschiktheid circa 16.000 euro per werknemer bedroeg. Deze leden vragen hoe de regering dit effect beoordeelt voor middelgrote mkb-bedrijven die weliswaar boven de loonsomgrens uitkomen, maar in de praktijk beperkte financiƫle buffers hebben.
Daarnaast constateren de leden van de PVV-fractie dat zowel de regering als de Raad van State erkennen dat het risico op het opnieuw ontstaan van slapende dienstverbanden toeneemt. Deze leden vragen hoe dit zich verhoudt tot de oorspronkelijke doelstelling van de compensatieregeling om juist aan deze praktijk een einde te maken. Ook vragen zij hoe de regering deze ontwikkeling verenigbaar acht met het beginsel van goed werkgeverschap en rechtsgelijkheid.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het aannemelijk is dat het beperken van de wettelijke compensatiemogelijkheid invloed heeft op de werking of reikwijdte van de norm die voortvloeit uit de Xella-beslissing. Deze leden lezen ook dat de regering schrijft dat een verbod op slapende dienstverbanden, of andere maatregelen om slapende dienstverbanden niet mogelijk maken ongewenst is. Deze leden vragen welke oplossingen de regering biedt om slapende dienstverbanden tegen te gaan. Ook vragen deze leden of het mogelijk is om de Xella-beslissing wettelijk te regelen, en wat hier de bijbehorende voor- en nadelen van zijn.
De leden van de JA21-fractie lezen in de memorie van toelichting dat wordt erkend dat het gevolg van het wetsvoorstel voor ondernemers kan zijn dat zij minder winst kunnen maken en dat hun economische groei daardoor wordt geremd, zij het dat dit volgens de regering niet āzwaarā zou wegen voor het ondernemersklimaat. Kan de regering deze uitspraak concretiseren, en toelichten hoe dit zich verhoudt tot het kabinetsstreven om het Nederlandse investerings- en vestigingsklimaat te versterken?
De leden van de JA21-fractie merken op dat de gekozen definitie van ākleine werkgeverā aansluit aan bij de Wfsv-loonsomgrens (tot en met 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon; in 2025 circa 990.000 euro). Kan de regering ingaan op het risico dat werkgevers die in de buurt van deze loonsomgrens zitten, groei in fte, uren of gemiddeld loon zullen afremmen om binnen de categorie ākleinā te blijven en daarmee toegang tot compensatie te behouden, en zo de economische groei van deze bedrijven en de werkgelegenheid beperkt wordt?
De leden van de JA21-fractie merken op dat doordat de grens wordt bepaald op basis van loonsom, werkgevers met relatief veel hoger opgeleide en dus duurdere werknemers eerder als middelgroot/groot worden aangemerkt dan werkgevers met veel laagbetaalde arbeid. Acht de regering dit effect wenselijk, en hoe voorkomt zij dat dit stelselmatig ten nadele uitwerkt van kennisintensieve bedrijven ten opzichte van arbeidsintensieve, laagbetaalde sectoren?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering erkent dat vaste contracten relatief duurder kunnen worden dan flexibele contracten, mede doordat middelgrote en grote werkgevers na twee jaar ziekte zonder compensatie zowel loondoorbetaling als transitievergoeding dragen. Kan de regering een inschatting geven van de te verwachten effecten op de verhouding vast/flex en op de prikkel richting tijdelijke contracten en schijnzelfstandigheid, vooral in sectoren met hoog ziekteverzuim?
De leden van de JA21-fractie lezen dat de regering stelt dat een deel van de bezwaren tegen mogelijke waterbedeffecten naar schijnāzzp wordt ondervangen door de hervatte handhaving op schijnzelfstandigheid per 1 januari 2025. Kan de regering onderbouwen waarom deze handhaving, gelet op capaciteit en prioritering bij Belastingdienst en Inspectie, voldoende wordt geacht om de extra prikkel richting schijnzelfstandigheid als gevolg van dit wetsvoorstel te neutraliseren?
De leden van de JA21-fractie lezen dat de Raad voor de rechtspraak erop wijst erop dat kleine werkgevers door de compensatiemogelijkheid mogelijk minder belang hebben bij re-integratie dan grote werkgevers, omdat beƫindiging na twee jaar ziekte aantrekkelijker kan zijn dan een langdurig re-integratietraject. Hoe beoordeelt de regering dit verschil in prikkelstructuur, en acht zij het onderscheid in re-integratie-incentives tussen kleine en middelgrote/grote werkgevers wenselijk en te rechtvaardigen?
De leden van de JA21-fractie lezen dat in de memorie van toelichting wordt erkend dat het risico op een toename van slapende dienstverbanden reĆ«el is, waarbij sociale partners en de Raad voor de rechtspraak zelfs een aanzienlijke toename van procedures verwachten. Kan de regering, op basis van historische gegevens van vóór invoering van de compensatieregeling en recente jurisprudentie, een kwantitatieve inschatting geven van de te verwachten toename van slapende dienstverbanden en Xellaāprocedures, en hoe zij deze ontwikkeling waardeert vanuit het perspectief van rechtszekerheid voor werknemers?
De leden van de JA21-fractie merken op dat in de beslisnotaās naar voren komt dat varianten om slapende dienstverbanden structureel te voorkomen (bijvoorbeeld een wettelijke verplichting tot beĆ«indiging van de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte, ook bij initiatief van de werknemer) zijn verkend maar vooral vanwege de besparingsplanning en vertraging zijn afgevallen. Kan de regering uiteenzetten in hoeverre budgettaire overwegingen (zoals het voorkomen van een besparingstekort van 210 miljoen euro bij een half jaar vertraging) de doorslag hebben gegeven boven inhoudelijke argumenten om slapende dienstverbanden meer structureel tegen te gaan?
De leden van de BBB-fractie vragen hoe concreet wordt voorkomen dat de beperking van compensatie leidt tot meer slapende dienstverbanden en daarmee tot minder zekerheid voor langdurig arbeidsongeschikte werknemers.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering in hoeverre is meegewogen dat het bij transitievergoedingen met regelmaat gaat om een zeer hoog bedrag, mede vanwege het feit dat medewerkers lang in dienst zijn en vaak richting de pensioengerechtigde leeftijd gaan. Terwijl zij reeds twee jaar in de re-integratie van de medewerker hebben geĆÆnvesteerd. Wat zijn daarvan de consequenties voor individuele werkgevers?
De leden van de SGP-fractie vragen inzichtelijk te maken hoeveel transitievergoedingen er in de achterliggende vijf jaren zijn vastgesteld voor kleine, middelgrote en grote werkgevers, en om welke orde van grootte qua bedragen het dan gaat, als percentage van de totale loonsom van het bedrijf. Daarnaast ontvangen deze leden graag cijfers over de gemiddelde kosten van twee jaar loondoorbetaling bij ziekte en re-integratieverplichtingen daaraan voorafgaand.
De leden van de SGP-fractie benadrukken dat dit wetsvoorstel niet alleen betrekking heeft op bedrijven, maar ook op instellingen in de (semi)publieke sector, maatschappelijke organisaties en andere organisaties met een publieke of sociale taak, zoals zorg- en welzijnsinstellingen, onderwijsinstellingen, kerken, woningcorporaties en uitvoeringsorganisaties. In hoeverre zijn de consequenties hiervan meegewogen in dit voorstel? Deze leden ontvangen graag inzicht in de financiƫle draagkracht van deze organisaties ten aanzien van de voorgestelde maatregel.
De leden van de SGP-fractie vragen naar de bredere arbeidsmarktgevolgen van de voorgestelde maatregel. De kosten zullen immers leiden tot een zware belasting van het arbeidscontract, terwijl werkgever al terughoudender worden in het aanbieden van een vast contract. In dat kader kan gedacht worden aan eerdere arbeidsmarktwetgeving, maar ook aan het afschaffen van het nulurencontract of de verlengde ketenregeling met langdurige onderbrekingstermijn. In hoeverre heeft de regering de doelstelling het vaste contract aantrekkelijker te maken voor werkgevers, en hoe verhoudt dit wetsvoorstel zich daartoe?
De leden van de SGP-fractie vragen daarnaast specifiek naar de consequenties ten aanzien van een inclusieve arbeidsmarkt, gelet op het feit dat werkgevers terughoudender zullen zijn ten aanzien van het aannemen van werknemers van wie zij inschatten dat zij een hoger risico op arbeidsongeschiktheid hebben.
De leden van de SGP-fractie vragen welke mogelijkheden de regering ziet voor het uitzonderen van specifieke sectoren in de basis van de arbeidsmarkt of sectoren die in hoge mate werk bieden aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
De leden van de SGP-fractie vragen specifiek aandacht voor de gevolgen van dit voorstel voor werkontwikkelbedrijven, die in veel gevallen niet financieel draagkrachtig zijn om dergelijke, grote bedragen in een keer āop te hoestenā. Is de regering bereid deze bedrijven uit te zonderen van de afschaffing van de compensatie?
De leden van de SGP-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat beperking van de compensatie leidt tot meer slapende dienstverbanden en daarmee tot minder zekerheid voor langdurig arbeidsongeschikte werknemers.
De leden van de SP-fractie lezen dat de regering het risico op een toename van het aantal slapende dienstverbanden accepteert. Deze leden vragen de regering of zij meer in kan gaan op dit risico. Waarom accepteert de regering dit risico? Welke risicoās ziet de regering voor de werknemers die dit betreft? Welke rechten kunnen deze werknemers uitoefenen wanneer zij zich in zoān situatie van slapend dienstverband betreffen wanneer het voorliggende wetsvoorstel is ingegaan? Hoeveel werknemers bevinden zich nu in zoān situatie, en met hoeveel mensen verwacht de regering dat dit zal toenemen? Waar baseert de regering dit op?
De leden van de SP-fractie lezen ook dat dankzij de zogenoemde Xella-beslissing van de Hoge Raad werknemers die zich op dit moment in een slapend dienstverband betreffen de mogelijkheid hebben om uit zoān slapend dienstverband te komen terwijl ze hun recht op transitievergoeding behouden. Deze beslissing dreigt door het opheffen van de wettelijke compensatiemogelijkheid weg te vallen. Kan de regering toelichten welke mogelijkheden zij heeft onderzocht om in stand te houden dat wanneer een werknemers in een slapend dienstverband beslist om uit dienst te reden, deze werknemers automatisch recht heeft op de transitievergoeding? Kan de regering toelichten welke mogelijkheden er zouden kunnen zijn om dit alsnog in stand te houden?
Bedrijfseffectentoets
De leden van de PVV-fractie constateren dat de regering verwacht dat de macro-economische effecten beperkt zullen zijn. Deze leden vragen of de regering inzichtelijk kan maken welke effecten specifiek worden verwacht voor werkgevers die zich rond de grens tussen ākleinā en āmiddelgrootā bevinden, en of hierbij ook is gekeken naar cumulatie van lasten uit andere regelgeving.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering, mede in het licht van de bedrijfseffectentoets, om concreet aan te geven hoe groot het aandeel van de totale werkgeverslasten bij langdurige ziekte (twee jaar loondoorbetaling, reāintegratiekosten en transitievergoeding zonder compensatie) uitvalt in verhouding tot de gemiddelde omzet en marges van middelgrote en grote werkgevers in een aantal representatieve sectoren, en of de regering deze cumulatie proportioneel acht.
Uitvoering
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de uitvoeringstoetsen van UWV en de Belastingdienst en constateren dat het wetsvoorstel uitvoerbaar wordt geacht. Deze leden vragen de regering wel hoe zij aankijkt tegen de tijdelijke situatie waarin werkgevers zelf moeten aantonen dat zij als kleine werkgever zijn aangemerkt. Kan de regering toelichten welke waarborgen worden getroffen om fouten en onnodige geschillen in deze fase zoveel mogelijk te voorkomen, en hoe wordt gezorgd voor duidelijke communicatie richting werkgevers?
De leden van de PVV-fractie constateren dat de vaststelling of een werkgever als ākleinā wordt aangemerkt, plaatsvindt op basis van loongegevens van twee jaar eerder en via een mededeling of beschikking van de Belastingdienst. Deze leden vragen in hoeverre dit systeem voldoende recht doet aan de actuele financiĆ«le situatie van ondernemers, bijvoorbeeld in geval van krimp, herstructurering of economische tegenwind.
Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie hoe wordt voorkomen dat ondernemers pas achteraf ontdekken dat zij geen recht hebben op compensatie, terwijl zij hier bij het voortzetten van het dienstverband wel op rekenden.
Misbruik, oneigenlijk gebruik en toezicht en handhaving
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering risicoās ziet op strategisch gedrag rond de loonsomgrens en hoe zij voorkomt dat ondernemers onbedoeld in een ongunstiger positie terechtkomen door beperkte schommelingen in de loonsom.
De leden van de JA21-fractie merken op dat de Raad voor de rechtspraak extra procedures verwacht over de ārekbaarheidā van het kleineāwerkgever-criterium en wijst op mogelijke constructies om kunstmatig binnen de grens te blijven. Hoe beoordeelt de regering dit risico, welke concrete constructies acht zij denkbaar, en welke handhavings- of antiāmisbruikmaatregelen staan haar ter beschikking om dergelijke strategische herstructureringen tegen te gaan?
Financiƫle gevolgen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat bij de invoering van de compensatie van de transitievergoeding is afgesproken dat deze zou worden gefinancierd via een aanpassing van de AWf-premie. Deze leden vragen waarom de regering ervoor kiest om de compensatieregeling te beƫindigen zonder de financiering via de AWf-premie dienovereenkomstig aan te passen. Deze leden vragen een nadere toelichting op hoe deze afspraken tot stand zijn gekomen en welke deze precies omvatten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de regering van mening kan zijn dat er sprake is van een betrouwbare overheid, aangezien deze op eerder gemaakte afspraken terugkomt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe deze maatregel zich verhoudt tot andere aangekondigde of reeds doorgevoerde bezuinigingen op de Werkloosheidswet (WW).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat het totale budgettaire beslag is van het afschaffen van de compensatie van de transitievergoeding aan het einde van de kabinetsperiode.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de besparing van circa 380 miljoen euro structureel wordt ingeboekt op de Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW-)begroting. Deze leden vragen hoe deze besparing zich verhoudt tot mogelijke indirecte kosten, zoals extra procedures, juridische onzekerheid en verminderde bereidheid tot het aanbieden van vaste contracten.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het wetsvoorstel per saldo leidt tot een besparing van uitgaven aan de CRTV die oploopt van circa 58,2 miljoen euro in 2026 tot circa 379,1 miljoen euro structureel in 2065. Deze leden lezen echter ook in de brief van 11 december 2025 dat gesproken wordt van een incidenteel besparingsverlies van 230 miljoen euro bij vertraagde inwerkingtreding van een half jaar. Deze leden vragen om een nadere uitleg hoe deze bedragen zich tot elkaar verhouden.
Advies en consultatie
De leden van de D66-fractie merken op dat zowel de Raad van State als de Raad voor de rechtspraak aandacht vragen voor het alternatief om de verplichting tot betaling van een transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid te heroverwegen. Zij constateren dat de regering dit alternatief heeft verworpen, onder meer vanwege de doelen van de transitievergoeding en het risico op ongerechtvaardigd onderscheid. Deze leden vragen de regering om deze afweging nader te onderbouwen. Kan de regering concreter toelichten waarom het in haar ogen noodzakelijk blijft dat ook bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid altijd een transitievergoeding verschuldigd is, ondanks de reeds bestaande verplichtingen tot loondoorbetaling en re-integratie? Hoe weegt de regering hierbij het argument dat de transitievergoeding in deze situaties in de praktijk soms een ander karakter heeft dan bij regulier ontslag? Daarnaast vragen deze leden of de regering heeft bezien of er varianten denkbaar zijn waarbij de verplichting tot betaling van de transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid anders wordt vormgegeven, zonder direct over te gaan tot volledige afschaffing, en waarom dergelijke varianten niet zijn uitgewerkt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat in de memorie van toelichting geen expliciete reactie van sociale partners is opgenomen. Deze leden vragen welke opvattingen sociale partners hebben geuit over de afschaffing van de compensatie en waarom deze niet zijn verwerkt of meegewogen in de toelichting. Deze leden vragen zowel expliciet de opvatting van werkgevers als werknemers te delen.
De leden van de PVV-fractie wijzen op de kritische opmerkingen van de Raad van State, die adviseert het voorstel nader te bezien en zelfs suggereert dat het schrappen van de verplichte transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid inhoudelijk consistenter zou zijn. Deze vragen waarom de regering dit advies niet heeft gevolgd en of zij bereid is dit alternatief alsnog serieus te onderzoeken.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de ontstaansgeschiedenis van de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid aangehaald is in de internetconsultatie. Bij invoering van deze regeling is de Aof-premie met circa 0,1 procentpunt verhoogd. Deze leden lezen dat de regering schrijft dat er geen koppeling tussen de uitgaven aan de compensatieregeling en de hoogte van de Aof-premie bestaat en hebben daar vanuit de techniek begrip voor. Wel merken deze leden daarbij op dat wat deze leden betreft zorgvuldig omgegaan dient te worden met afspraken met sociale partners. Is de regering het met deze leden eens dat er niet zomaar een streep gezet kan worden door afspraken met sociale partners? En kan de regering aangegeven in hoe zij de sociale partners die indertijd betrokken waren bij de totstandkoming van de compensatieregeling heeft betrokken bij de totstandkoming van het voorliggend wetsvoorstel?
De leden van de CDA-fractie merken op dat de Raad van State in haar advies benoemt dat er geen structurele oplossing voor de onderliggende problematiek van hoge werkgeverslasten bij langdurige ziekte van de werknemer geboden wordt en dat zij daarbij in overweging geeft deze compensatieregeling te schrappen. Deze leden vragen om een nadere reflectie op dit advies en de motivatie waarom dit niet wordt overgenomen.
De leden van de JA21-fractie merken op dat de Raad van State het derde dictum (niet indienen tenzij aangepast) heeft afgegeven en spreekt van de noodzaak van een fundamentele belangenafweging tussen de kwetsbare positie van langdurig zieke werknemers en de meerjarige werkgeversverplichtingen. Kan de regering uiteenzetten waarom zij, ondanks dit dictum en de door de Raad van State gevraagde fundamentele belangenafweging, vasthoudt aan de gekozen route van het beperken van de compensatieregeling voor middelgrote en grote werkgevers, in plaats van alsnog een bredere heroverweging van de rol en vorm van de transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid te verkennen
De leden van de SGP-fractie vragen de regering of dit voorstel ook voorgelegd is aan het Adviescollege toetsing regeldruk, en wat daarvan de uitkomsten zijn.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering te reflecteren op de verwachting van werkgevers dat de beperking van de compensatiemogelijkheid tot kleine werkgevers mogelijk leidt tot een toename in het aantal tijdelijke contracten. In hoeverre acht zij dit wenselijk?
De leden van de SP-fractie merken op dat de regering in de memorie van toelichting schrijft dat er in het wetsvoorstel voor geen enkele sector of branche een uitzondering wordt gemaakt. De regering onderbouwt dit mede door te stellen dan een uitzondering ertoe kan leiden dat het besparingsdoel van het wetsvoorstel niet wordt gehaald. Deze leden hebben alarmerende signalen van de sociale ontwikkelbedrijven ontvangen en willen deze graag nog een keer onder de aandacht van de regering brengen.
Wat de leden van de SP-fractie betreft zouden sociaal ontwikkelbedrijven een uitzondering moeten krijgen op het wetsvoorstel. Deze leden stellen dit omdat sociaal ontwikkelbedrijven een specifiek sociaal doel dienen. Daarnaast komt de in het wetsvoorstel voorgenomen maatregel direct terug op de gemeentebegroting van de gemeenten en is dit dus per saldo geen werkelijke bezuiniging voor de overheid. Kan de regering erop ingaan welke afwegingen zij specifiek heeft gemaakt voor de sociaal ontwikkelbedrijven? Kan de regering toelichten hoe zij aankijkt tegen het feit dat de in het wetsvoorstel voorgenomen bezuiniging direct neerkomt bij gemeenten? Kan de regering toelichten waarom zij sociaal ontwikkelbedrijven op deze manier wil duperen? Welke gesprekken zijn hierover gevoerd met vertegenwoordigers van gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven?
Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de PVV-fractie constateren dat overgangsrecht is opgenomen om lopende gevallen te beschermen. Deze leden vragen de regering te bevestigen dat ondernemers die onder het huidige regime verplichtingen zijn aangegaan, niet alsnog onevenredig worden benadeeld. Ook vragen deze leden of het overgangsrecht voldoende bescherming biedt voor ondernemers die zich rond de grens van ākleinā en āmiddelgrootā bevinden.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering tot slot te bevestigen dat het overgangsrecht waarborgt dat in alle gevallen waarin de dag na afloop van het opzegverbod na twee jaar ziekte vóór de inwerkingtreding ligt, de oude compensatieregeling volledig van toepassing blijft, en dat er geen grijze gevallen ontstaan waarin werkgevers of werknemers achteraf worden geconfronteerd met andere rechtsgevolgen dan zij op basis van de huidige wet en beleidsuitingen redelijkerwijs mochten verwachten.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Van der Burg
Adjunct-griffier van de commissie,
Van den Broek