Zesde voortgangsbrief implementatie RED-III vervoer
Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
Brief regering
Nummer: 2025D53661, datum: 2025-12-19, bijgewerkt: 2026-01-19 11:33, versie: 3 (versie 1, versie 2)
Directe link naar document (.pdf), link naar pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-32813-1549).
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (VVD)
- Hoogtes Brandstoftransitieverplichting 2026-2030 (juiste versie zoals aangeboden bij brief van 19 januari 2026)
- Hoogtes Brandstoftransitieverplichting 2026-2030
- Beslisnota bij zesde voortgangsbrief implementatie RED-III vervoer
Onderdeel van kamerstukdossier 32813 -1549 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid.
Onderdeel van zaak 2025Z22593:
- Indiener: A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- 2026-01-13 15:10: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-01-14 10:00: Duurzaam vervoer (Commissiedebat), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- 2026-01-21 10:15: Procedurevergadering Infrastructuur en Waterstaat (Procedurevergadering), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- 2026-01-22 14:40: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (🔗 origineel)
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2 |
| Vergaderjaar 2025-2026 |
32 813 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
Nr. 1549 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 december 2025
Hierbij informeer ik u over de voortgang van de implementatie van de RED-III-vervoersonderdelen. De implementatie in de Brandstoftransitieverplichting treedt per 1 januari 2026 in werking, met terugwerkende kracht.
Uitvoering amendement Veltman c.s.
Het amendement Veltman c.s. (Kamerstuk 36 766, nr. 15), aangenomen met vaststelling van artikel 9.7.4.2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet milieubeheer, beoogt een door Europese producenten van bioethanol ervaren nadeel op te heffen. Importeurs van geïmporteerde gedenatureerde ethanol betalen een lagere importheffing. De formulering van het amendement gebiedt echter om alleen leveringen van pure, ongemengde ethanol als biobrandstof mee te tellen in de brandstoftransitieverplichting. Bioethanol wordt gebruikt in mengsels met benzine (bijvoorbeeld E10), maar niet als brandstof in pure vorm (E100).
Gelet op bovenstaande ben ik voornemens om een alternatieve wettelijke delegatiegrondslag (artikel 9.7.4.2, eerste lid, onderdeel c, van de Wet milieubeheer) te gebruiken om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uitvoering te geven aan de bedoeling van het amendement. Het bij amendement vastgestelde artikellid treedt dan niet in werking. Op deze wijze wordt de puurheid van de ethanol beoordeeld op het moment van aankoop, en niet van levering. Dat wil zeggen dat brandstofleveranciers vanaf 1 januari 2026 bij het inboeken van bioethanol in de brandstoftransitieverplichting moeten aantonen dat zij pure bioethanol hebben aangekocht.
Ophoging Brandstoftransitieverplichting landsector vanaf 2028
Het kabinet heeft er bij de Augustusbesluitvorming (Kamerstuk 33 043, nr. 119) voor gekozen om de negatieve effecten op CO2-uitstoot van de accijnskorting structureel te compenseren door verhoging van de brandstoftransitieverplichting. Daarnaast levert de pseudo-eindheffing voor fossiele brandstofauto’s uit het voorjaar een hogere CO2-reductie op dan eerder ingeschat. Ook deze reductie wordt geborgd door verhoging van de brandstoftransitieverplichting. Naar verwachting zullen brandstofleveranciers ervoor kiezen om die verhoging in te vullen door extra inzet van biobrandstoffen. In bijlage 1 zijn de gewijzigde verplichtingen opgenomen.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.A. Aartsen