[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Advies Afdeling advisering Raad van State inzake voorstel van wet van de leden Bamenga en Koops tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en de Politiewet 2012 in verband met het wettelijk vastleggen van het verbod op etnisch profileren

Voorstel van wet van de leden Bamenga en Koops tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en de Politiewet 2012 in verband met het wettelijk vastleggen van het verbod op etnisch profileren

Advies Afdeling advisering Raad van State

Nummer: 2025D52769, datum: 2025-12-10, bijgewerkt: 2025-12-17 12:57, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2025Z14889:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


No. W16.25.00211/II 's-Gravenhage, 10 december 2025

Bij brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 25 juli 2025 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van de leden Bamenga en Koops tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en de Politiewet 2012 in verband met het wettelijk vastleggen van het verbod op etnisch profileren, met memorie van toelichting.

Samenvatting

Doel en inhoud van het wetsvoorstel

Met het wetsvoorstel willen de initiatiefnemers het verbod op etnisch profileren wettelijk vastleggen. Dat willen zij doen door het maken van onderscheid op grond van ras bij het selecteren van personen voor controle te verbieden in de Algemene wet bestuursrecht en de Politiewet 2012. Het voorstel is mede ingegeven door een arrest van het gerechtshof Den Haag van februari 2023 over etnisch profileren door de Koninklijke Marechaussee (KMar). Etnisch profileren kan worden gedefinieerd als het gebruik van criteria als ras, afkomst of huidskleur bij handhaving door de overheid zonder dat dit objectief te rechtvaardigen is. Het gerechtshof heeft in februari 2023 geoordeeld dat het onderscheid op grond van ras dat de KMar maakte bij selectiebeslissingen in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV), niet is toegestaan. De initiatiefnemers willen met het wetsvoorstel de norm die uit dit arrest voortvloeit in de wet vastleggen en duidelijk maken dat de norm geldt voor alle overheidsinstanties.

Toegevoegde waarde

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft het belang van het tegengaan van etnisch profileren door overheidsinstanties. Discriminatie is verboden op grond van de Grondwet, internationale verdragen en wettelijke bepalingen en kan door de rechter op grond daarvan worden gesanctioneerd. Desondanks komt etnisch profileren helaas toch voor. Er is de laatste jaren een maatschappelijk en politiek debat ontstaan over etnisch profileren en hoe het kan worden voorkomen. Dat initiatiefnemers maatregelen willen nemen tegen etnisch profileren is op zichzelf dan ook begrijpelijk. De toelichting bij het wetsvoorstel is echter onvoldoende om de toegevoegde waarde van het wetsvoorstel te motiveren ten opzichte van de al bestaande discriminatieverboden. Het is niet aannemelijk dat het voorstel daadwerkelijk kan bijdragen aan een effectievere aanpak van etnisch profileren.

Toenemende juridische complexiteit

De Afdeling wijst er daarnaast op dat het wetsvoorstel de bestaande verboden op etnisch profileren, anders dan wat de initiatiefnemers willen, niet verduidelijkt, maar juist compliceert. Dit komt zowel door de verhouding van het wetsvoorstel tot al bestaande discriminatieverboden en andere wet- en regelgeving, als door de formuleringen in de tekst van het voorstel zelf. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk hoe het voorgestelde verbod op etnisch profileren zich verhoudt tot het verbod op vooringenomenheid. Dat verbod is ook opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht en verbiedt etnisch profileren al. Daarnaast is onduidelijk hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot de discriminatieverboden in de Grondwet en de verdragen.

Toekomstperspectief

Het juridische en maatschappelijke debat over het bestrijden van racisme en etnisch profileren is nog volop in beweging. Er lopen verschillende onderzoeken naar aanvullende nieuwe wetgeving die is gericht op het bestrijden van discriminatie door de overheid. Het is raadzaam om de uitkomsten van die onderzoeken te verwerken in de besluitvorming over vervolgstappen, ook gelet op het feit dat etnisch profileren al is verboden en het wetsvoorstel niet verduidelijkt maar compliceert. Daarbij merkt de Afdeling op dat op dit moment al praktijkgerichte maatregelen kunnen en worden genomen om de naleving te verbeteren van de bestaande anti-discriminatiebepalingen die etnisch profileren verbieden.

Conclusie

De Afdeling adviseert de initiatiefnemers dan ook om de behandeling van het wetsvoorstel in deze vorm en op dit moment niet voort te zetten. In verband hiermee dient het wetsvoorstel nader te worden overwogen.

Advies

1. Inhoud en aanleiding van het wetsvoorstel

Het wetsvoorstel introduceert een verbod op het nemen van selectiebeslissingen die geheel of gedeeltelijk zijn gebaseerd op ras1 in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Politiewet 2012. Met selectiebeslissingen bedoelen de initiatiefnemers beslissingen van de overheid om bepaalde personen te controleren in het kader van toezicht en handhaving van wettelijke voorschriften.

Aanleiding voor het verbod is het arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 februari 2023 in de zaak Amnesty International c.s. tegen de Staat der Nederlanden.2 In deze zaak ging het om de door de Koninklijke Marechaussee (KMar) gehanteerde werkwijze in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV). In dit kader kan de KMar mensen die Nederland zijn binnengekomen vragen naar hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. De KMar selecteert wie zij op deze manier controleert. In bepaalde gevallen baseerde de KMar haar keuze om iemand aan deze controle te onderwerpen op persoonlijkheidskenmerken die zijn gebaseerd op ras of etniciteit, zoals huidskleur. Het hof kwam in zijn arrest tot de conclusie dat deze werkwijze in strijd is met het algemene discriminatieverbod uit artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, omdat de selectiebeslissingen van de KMar gedeeltelijk waren gebaseerd op ras of etniciteit.3

Met het wetsvoorstel beogen de initiatiefnemers de norm die voortvloeit uit dit arrest duurzaam te bestendigen. De initiatiefnemers reageren met het wetsvoorstel daarnaast op een Kamerbrief van mei 2023. Daarin wijzen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties erop dat het arrest van het gerechtshof Den Haag uitsluitend betrekking heeft op de MTV-controles die worden uitgevoerd door de KMar.4 De initiatiefnemers willen duidelijk maken dat de norm die voortvloeit uit het arrest niet alleen geldt voor de KMar, maar van toepassing is op alle overheidsinstanties. Ook willen de initiatiefnemers duidelijkheid verschaffen over het discriminerende karakter van etnisch profileren en burgers een belangrijke waarborg bieden tegen etnisch profileren.5

Recente voorbeelden laten volgens de initiatiefnemers zien dat het huidige discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet onvoldoende duidelijkheid en bescherming biedt tegen etnisch profileren. Naast etnisch profileren door de KMar noemen initiatiefnemers in de toelichting onder meer als voorbeelden het staande houden van personen op grond van huidskleur door de politie en het maken van onderscheid tussen Nederlandse, westerse en niet-westerse bedrijfsbesturen bij het zoeken naar fraudeurs door de Immigratie- en Naturalisatiedienst.6

Dergelijke situaties zijn volgens de initiatiefnemers problematisch omdat etnisch profileren kan leiden tot het verlies van vertrouwen in overheidsinstanties, het versterken van bestaande ongelijkheden en polarisatie en sociale spanningen.7 Etnisch profileren is daarnaast ineffectief in het bestrijden van criminaliteit, aldus de initiatiefnemers.8

2. Constitutioneel kader

Etnisch profileren is, volgens een brede definitie, het gebruik van criteria als ras, huidskleur, nationaliteit, taal, geloof of afkomst bij opsporing of rechtshandhaving terwijl dat niet objectief te rechtvaardigen is.9 Er zijn ook andere, beperktere definities, die meer zijn toegespitst op het maken van onderscheid op basis van ras of nationaliteit, ongeacht de vraag of hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.10 In juridische zin is etnisch profileren een specifieke vorm van onderscheid maken, die strijd kan opleveren met de Grondwet en internationale en Europese mensenrechtenverdragen.11 Of etnisch profileren noodzakelijkerwijs altijd een niet te rechtvaardigen onderscheid oplevert en daarmee altijd verboden discriminatie inhoudt, is dus mede afhankelijk van de definitie van het begrip die men hanteert.

In artikel 1 van de Grondwet wordt discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook verboden. Dit discriminatieverbod is uitgewerkt in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb), die normen bevat voor aanbieders van goederen en diensten en werkgevers. De regering achtte het bij de totstandkoming van deze wet niet nodig om ook eenzijdig overheidshandelen in deze wet uit te werken, omdat de overheid al was gehouden artikel 1 van de Grondwet na te leven.12

Ook uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op grond van artikel 14 van het EVRM volgt dat het maken van onderscheid nooit uitsluitend of in beslissende mate gebaseerd mag zijn op ras.13 Indien onderscheid wordt gemaakt op grond van ras maar dat onderscheid niet uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd op ras, dienen voor dat onderscheid heel zwaarwegende redenen te bestaan. Het gerechtshof Den Haag heeft deze rechtsnorm toegepast in het ook in de toelichting genoemde arrest van 14 februari 2023.14

Daarnaast is er relevant Unierecht. Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verbiedt discriminatie.15 Dit verbod geldt in Nederland wanneer het Unierecht ten uitvoer wordt gelegd. Meer specifiek is op EU-niveau de richtlijn rassengelijkheid vastgesteld.16 Deze richtlijn is er specifiek op gericht om het probleem van discriminatie op grond van ras tegen te gaan. Een deel van de Awgb vormt de Nederlandse implementatie van deze richtlijn. Hierdoor is onderscheid op grond van ras bij eenzijdig overheidshandelen wel onder de Awgb verboden, wanneer het specifiek gaat om sociale bescherming en sociale voordelen.17

Tegen de achtergrond van deze reeds bestaande discriminatieverboden maakt de Afdeling opmerkingen over de meerwaarde van het voorgestelde aanvullende verbod op etnisch profileren (punt 3), de juridische complexiteit die kan ontstaan als gevolg van het voorgestelde verbod op etnisch profileren (punt 4) en over de betekenis van lopend onderzoek naar de wenselijkheid van aanvullende anti-discriminatiebepalingen (punt 5). Het advies sluit af met een conclusie (punt 6).

3. Toegevoegde waarde

De Afdeling onderkent de negatieve impact van etnisch profileren en onderschrijft het belang van het tegengaan van etnisch profileren door overheidsinstanties. Zoals beschreven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, hebben zich de laatste jaren diverse gevallen voorgedaan waarin personen ten onrechte werden geselecteerd op basis van ras of etniciteit.18 In die context is er aan de hand van onderzoeksrapporten en wetenschappelijke publicaties een maatschappelijk en politiek debat ontstaan over de vraag wat etnisch profileren precies is, wat wel en niet is toegestaan en hoe etnisch profileren dat onrechtmatig onderscheid op grond van ras of etniciteit oplevert, kan worden tegengegaan.19

In dit verband is ook de rechtspraak in beweging. Zo heeft het EHRM recent twee arresten gewezen waarin meer oog is voor de structurele aard van etnisch profileren.20 Nationaal kan worden gewezen op het door initiatiefnemers aangehaalde arrest van het gerechtshof Den Haag. Een en ander maakt duidelijk dat etnisch profileren nog steeds een probleem is, ondanks reeds bestaande verboden. Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat initiatiefnemers maatregelen tegen etnisch profileren wensen te nemen.

De vraag is echter of die maatregelen gevonden moeten worden in nieuwe regelgeving, of veeleer in een betere uitvoering van de al bestaande regelgeving. Zoals blijkt uit de toelichting bij het wetsvoorstel en het hierboven geschetste constitutioneel kader, zijn er al verschillende anti-discriminatiebepalingen op basis waarvan het verboden is mensen etnisch te profileren.21 Daarbij komt dat het Unierecht verbodsbepalingen kent tegen geautomatiseerde individuele besluitvorming22 en risicoprofilering met behulp van kunstmatige intelligentie.23 Etnische profilering zal daar in bepaalde gevallen ook onder vallen.

Volgens de toelichting bij het wetsvoorstel zijn deze bepalingen in de praktijk onvoldoende helder gebleken, en is er daarom aanleiding voor nieuwe wetgeving. De initiatiefnemers beogen in het bijzonder te verzekeren dat de norm zoals die is geformuleerd in voormeld arrest van het gerechtshof Den Haag, geldt voor álle overheidsinstanties en niet, zoals de regering bij Kamerbrief van mei 2023 volgens de initiatiefnemers zou hebben gesteld, alleen voor de KMar.24 Daarnaast moet het wetsvoorstel volgens de initiatiefnemers duidelijkheid verschaffen over het discriminerende karakter van etnisch profileren en burgers daartegen een belangrijke waarborg bieden.

Deze toelichting is onvoldoende om de toegevoegde waarde van het wetsvoorstel mee te motiveren. De rechtspraak waar ook de toelichting naar verwijst, illustreert juist dat de bestaande anti‑discriminatiebepalingen reeds voldoende handvatten bieden om etnisch profileren te sanctioneren.25 Waar de initiatiefnemers in dit verband wijzen op de Kamerbrief van mei 2023, gaan zij uit van een onjuiste lezing. Daarin staat namelijk niet dat de in het arrest van het gerechtshof Den Haag toegepaste norm alleen op de KMar van toepassing zou zijn, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat ook andere overheidsinstanties die norm zouden overtreden. Dát de bedoelde anti‑discriminatienorm op die andere overheidsinstanties van toepassing is, wordt door de regering niet ontkend.

In het licht hiervan rijst de vraag of niet eerder de naleving van reeds bestaande anti‑discriminatienormen in de praktijk moet worden versterkt, in plaats van dat er nieuwe wetgeving moet worden geïntroduceerd. De Afdeling is er gelet op het voorgaande niet van overtuigd dat een nieuwe anti-discriminatiebepaling zoals voorgesteld daadwerkelijk kan bijdragen aan een effectievere aanpak van etnisch profileren.

4. Toenemende juridische complexiteit

Naast het ontbreken van de toegevoegde waarde van een wettelijke regeling zoals voorgesteld, wijst de Afdeling erop dat het wetsvoorstel het verbod op etnisch profileren niet verduidelijkt, zoals beoogd, maar juist compliceert. De te verwachten toename van juridische complexiteit heeft zowel betrekking op de verhouding van het voorstel tot bestaande wet- en regelgeving, als op de tekst van het voorstel zelf. De Afdeling licht dit hieronder toe aan de hand van enkele voorbeelden.

a. Verhouding tot andere wet- en regelgeving

De voorgestelde wettelijke regeling zal moeten worden ingebed in het bestaande wettelijke stelsel. Zoals hierboven onder 2 en 3 is besproken, wordt etnisch profileren al door verschillende constitutionele normen en wettelijke regelingen verboden. Die regelingen zijn onderling verschillend geformuleerd en worden daardoor ieder op eigen wijze en binnen de eigen juridische context geïnterpreteerd. Gevolg hiervan is dat er in de praktijk vragen rijzen over de onderlinge afbakening van deze regelingen en de daarin gehanteerde definities. Het wetsvoorstel voegt hieraan een nieuwe verbodsbepaling toe, die leidt tot verdergaande complexiteit.

In dit verband rijst bijvoorbeeld de vraag waarom het wetsvoorstel is toegespitst op etnische profilering, en niet ook op andere vormen van ongerechtvaardigd onderscheid die door profilering worden veroorzaakt. Zo ontstaat de indruk dat profilering op grond van andere persoonskenmerken dan ras (zoals godsdienst of geslacht) eerder is toegestaan. De verhouding tot bestaande anti-discriminatiebepalingen wordt hierdoor onduidelijk.

Ook in relatie tot algemene wetgeving rijzen nieuwe juridische vragen. Zo wordt in de toelichting bijvoorbeeld opgemerkt dat de Awb door middel van het verbod op vooringenomenheid26 etnisch profileren al verbiedt.27 Er wordt echter niet toegelicht hoe het voorgestelde verbod zich verhoudt tot dit al bestaande verbod en in welk opzicht de verboden materieel van elkaar verschillen.

De Afdeling wijst verder op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de AI-verordening, waarin verboden staan die raken aan het voorgestelde verbod op etnisch profileren.28 Onduidelijk is hoe het met het voorstel geïntroduceerde begrip ‘beslissingen waarbij een selectie plaatsvindt’ zich verhoudt tot het begrip ‘profilering’ uit de AVG en tot het begrip ‘risicobeoordeling’ uit de AI-verordening.

De toelichting bij het voorstel erkent dat bestaande regelingen etnisch profileren al verbieden maar gaat onvoldoende in op hoe het voorstel in de praktijk gelezen moet worden naast en in verhouding tot deze andere verbodsbepalingen. Hierdoor zal het voorstel de effectieve werking van het wettelijke stelsel als geheel verder bemoeilijken.

b. Complexiteit in de tekst van het voorstel

Onduidelijkheid over de betekenis van het voorstel ontstaat ook als gevolg van de bewoordingen waarmee wordt verwezen naar de Awgb. De initiatiefnemers hebben ervoor gekozen om aan te sluiten bij het begrip ‘onderscheid’ uit de Awgb. Dit om te voorkomen dat er verschillende beschermingsniveaus ontstaan.29 De voorgestelde wettekst verwijst evenwel niet alleen naar het begrip ‘onderscheid’, maar ook naar de verbodsbepalingen uit de Awgb. Selectiebeslissingen gebaseerd op ras worden ingevolge de voorgestelde wettekst namelijk alleen verboden wanneer sprake is van een ‘verboden onderscheid in de zin van de Awgb’.

Dit zorgt voor een beperktere reikwijdte van het verbod dan initiatiefnemers beogen. Niet elk optreden van de overheid valt namelijk onder een van de verboden uit de Awgb. Handelen dat niet valt onder een verbod uit de Awgb, kan geen verboden onderscheid opleveren in de zin van die wet. Eenzijdig overheidshandelen, zoals de controletaak van de KMar in het kader van het MTV, valt bijvoorbeeld niet onder de Awgb.

Een ander probleem met het voorstel kan zich voordoen wanneer de overheid gerechtvaardigd onderscheid maakt op grond van nationaliteit. Denkbaar is dat een dergelijk onderscheid tegelijkertijd leidt tot selectiebeslissingen die gedeeltelijk indirect onderscheid op grond van ras vormen. De huidige tekst zou gelet op de daarin gebruikte formulering ook een dergelijk onderscheid verbieden. De toelichting gaat niet in op de vraag of, en zo ja waarom, dat een beoogd resultaat van het voorstel is.

Ook is onduidelijk hoe het in de tekst gebruikte criterium ‘geheel of gedeeltelijk gebaseerd op ras’ uitgelegd moet worden in het licht van de bestaande jurisprudentie die initiatiefnemers beogen te codificeren. Volgens de initiatiefnemers kan onderscheid op basis van ras nooit objectief gerechtvaardigd worden.30 Uit de jurisprudentie van het EHRM, zoals ook toegepast door het gerechtshof Den Haag, volgt dat er geen objectieve rechtvaardiging kan zijn als onderscheid geheel of in beslissende mate is gebaseerd op ras.31 Als het onderscheid echter niet geheel of in beslissende mate is gebaseerd op ras, kan er onder omstandigheden wel een objectieve rechtvaardiging bestaan. De toelichting laat in het ongewisse of inderdaad is beoogd om tot een verderstrekkend verbod te komen dan volgt uit de jurisprudentie van het EHRM en wat hiervan de juridische en praktische gevolgen zijn.

5. Toekomstperspectief

Het voorgaande betekent niet dat er geen verandering zou moeten plaatsvinden waardoor etnisch profileren beter kan worden bestreden. Zoals benoemd onder punt 3 is het juridische en maatschappelijke debat over etnisch profileren nog volop in beweging. In dit debat worden ook verschillende concrete voorstellen gedaan om met aanvullende wetgeving discriminatie door de overheid te bestrijden.

Een voorbeeld hiervan is het door de initiatiefnemers genoemde voorstel om eenzijdig overheidshandelen onder de reikwijdte van de Awgb te brengen.32 Of een dergelijk toepassingsbereik van de Awgb wenselijk is, was al bij de totstandkoming van die wet voorwerp van discussie. Zoals aangegeven in punt 2, is er destijds expliciet voor gekozen om eenzijdig overheidshandelen niet onder de Awgb te brengen, omdat de overheid al gebonden is aan artikel 1 van de Grondwet. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderzoekt op dit moment of eenzijdig overheidshandelen alsnog binnen de reikwijdte van de Awgb moet worden gebracht. Hij heeft aangegeven hierin meerwaarde te zien,33 en op dit moment uit te zoeken hoe die uitbreiding van de Awgb vormgegeven moet worden.34 Een wetsvoorstel hiertoe zal vermoedelijk voor de zomer van 2026 in consultatie gaan.35

Een ander voorbeeld is aan de orde in het kader van de opdracht van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme. Die commissie heeft onlangs voorgesteld om een wettelijke ‘gelijkheidsplicht publieke sector’ in te voeren.36 De Staatscommissie is specifiek gevraagd om te kijken naar etnisch profileren, en zal volgend jaar een voortgangsrapportage over risicoprofilering en algoritmen uitbrengen.37

Deze ontwikkelingen onderstrepen dat nog niet is uitgekristalliseerd of aanvullende wetgeving een effectieve bijdrage kan leveren aan het aanpakken van etnisch profileren en zo ja, hoe die wetgeving vormgegeven moet worden. De initiatiefnemers maken niet duidelijk waarom zij het voorstel desondanks nu al in behandeling wensen te nemen. Het ligt voor de hand om, ook gelet op het feit dat etnisch profileren al is verboden en het wetsvoorstel in deze vorm niet verduidelijkt maar compliceert, de uitkomsten van deze ontwikkelingen te verwerken in de besluitvorming over te nemen vervolgstappen. Door nu al met wetgeving te komen die het wettelijk stelsel complexer maakt bestaat het reële risico dat het tegendeel wordt bereikt van wat de initiatiefnemers beogen.

Het voorgaande wil niet zeggen dat op dit moment geen actie kan worden ondernomen. Daarvoor is van belang dat, zoals initiatiefnemers ook onderkennen,38 wetgeving in welke vorm dan ook niet voldoende is om discriminatie te bestrijden.39 Er zullen dus steeds ook andere, praktijkgerichte maatregelen genomen moeten worden, zoals voorlichting en training van ambtenaren. Hier is zowel vanuit het parlement als vanuit de regering ook op dit moment al aandacht voor, maar misschien wordt de noodzaak gevoeld om meer te doen.40

Het parlement kan vanuit zijn controlerende rol toetsen of de al genomen maatregelen voldoende zijn, en zo nodig de regering aansporen om aanvullende maatregelen te nemen. Dat geldt ook voor de reeds geldende anti-discriminatiewetgeving zoals hiervoor genoemd. Het parlement kan thans al de regering stimuleren om de naleving van bestaande verboden in de praktijk op de korte termijn beter te realiseren en haar daar voor zover nodig regelmatig op aanspreken. Bestaand onderzoek, zoals het WODC-rapport over etnisch profileren, kan hierbij handvatten bieden over welke interventies zinvol kunnen zijn.41

6. Conclusie

Met het wetsvoorstel beogen de initiatiefnemers bij te dragen aan het tegengaan van etnisch profileren door een heldere wettelijke norm te creëren. De Afdeling onderschrijft deze doelstelling, maar verwacht niet dat het wetsvoorstel hieraan effectief zal bijdragen. Zoals ook volgt uit de toelichting bij het wetsvoorstel, is etnisch profileren op dit moment al verboden. In dat licht bezien is de Afdeling niet alleen niet overtuigd van de toegevoegde waarde van het wetsvoorstel, maar wijst zij er daarnaast op dat het voorstel de wettelijke normstelling niet, zoals beoogd, verduidelijkt maar juist compliceert.

Het voorgaande betekent niet dat er nu geen actie kan worden ondernomen. Op dit moment kunnen verschillende praktijkgerichte maatregelen worden genomen om de naleving van de bestaande anti-discriminatiebepalingen die etnisch profileren reeds verbieden, te verbeteren. Daarnaast lopen er verschillende onderzoeken naar de noodzaak van aanvullende wetgeving op dit terrein. Er kan daarom op dit moment nog niet goed worden bepaald of, naast de noodzakelijke praktijkmaatregelen, het bestaande verbod op etnisch profilering wettelijke verduidelijking behoeft, en zo ja in welke vorm. Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling de behandeling van het wetsvoorstel in deze vorm en op dit moment niet voort te zetten.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het initiatiefvoorstel en adviseert het voorstel niet in behandeling te nemen, tenzij het is aangepast.


De vice-president van de Raad van State,