[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de totstandkoming van het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en de mogelijkheid te komen tot meertalige buitenschoolse opvang

Wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de totstandkoming van het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en de mogelijkheid te komen tot meertalige buitenschoolse opvang

Eindtekst

Nummer: 2015D33312, datum: 2015-09-11, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2015Z07700:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


De Tweede Kamer der Staten- PRIVATE  

Generaal zendt bijgaand door

haar aangenomen wetsvoorstel

aan de Eerste Kamer.

De Voorzitter,

8 september 2015



	Wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
in verband met de totstandkoming van het personenregister kinderopvang
en peuterspeelzaalwerk en de mogelijkheid te komen tot meertalige
buitenschoolse opvang







GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET



	Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige
wijzigingen in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
aan te brengen in verband met de totstandkoming van een personenregister
kinderopvang en peuterspeelzaalwerk ten behoeve van de continue
screening van alle personen die op grond van deze wet over een
verklaring omtrent het gedrag moeten beschikken alsmede in verband met
het mogelijk maken van meertalige buitenschoolse opvang;

Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt als volgt
gewijzigd:

A

	In artikel 1.1, eerste lid, worden de volgende begripsomschrijvingen in
de alfabetische rangschikking ingevoegd:

	beroepskracht meertalige buitenschoolse opvang: degene die als
beroepskracht werkzaam is en belast is met meertalige buitenschoolse
opvang en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld
in artikel 1.50, tweede lid, onderdeel i;

	buitenschoolse opvang: kinderopvang verzorgd door een kindercentrum
voor kinderen in de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan,
waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd evenals
gedurende vrije dagen of middagen en in schoolvakanties; 

	continue screening kinderopvang en peuterspeelzaalwerk: de voortdurende
uitwisseling van gegevens over ingeschrevenen in het personenregister
kinderopvang en peuterspeelzaalwerk door Onze Minister en Onze Minister
van Veiligheid en Justitie voor de controle op nieuwe gegevens in de
justitiele documentatie van de ingeschrevene op basis waarvan wordt
beoordeeld of de ingeschrevene nog steeds voldoet aan de eisen zoals
deze gelden bij de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag; 

	ingeschrevene: een persoon als bedoeld in artikel 1.48d, tweede lid, en
artikel 2.4c, tweede lid, die in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk is ingeschreven; 

	justitiele documentatie: de documentatie, bedoeld in artikel 1, aanhef
en onder e, van de Wet justitiele en strafvorderlijke gegevens;

	meertalige buitenschoolse opvang: buitenschoolse opvang die voor ten
hoogste vijftig procent van de openingstijd van een kindercentrum per
jaar in de Engelse, Duitse, of Franse taal wordt verzorgd; 

	personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk: de verzameling
van gegevens die verwerkt worden ten behoeve van het doel beschreven in
artikel 1.48d, eerste lid, en 2.4c, eerste lid;.

B

In hoofdstuk 1, afdeling 3, paragraaf 2 ``Eisen'' wordt voor artikel
1.49 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.48d

1. Onze Minister verwerkt gegevens in het personenregister kinderopvang
en peuterspeelzaalwerk om te waarborgen dat alle personen die op grond
van deze wet over een verklaring omtrent het gedrag moeten beschikken,
continu worden gescreend waardoor wordt bijgedragen aan het vergroten
van de veiligheid van de opgevangen kinderen.

2. Met het oog op het in het eerste lid genoemde doeleinde schrijven de
personen, bedoeld in het eerste lid, zich in, in het personenregister
kinderopvang en peuterspeelzaalwerk.

3. De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau heeft
toegang tot het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk
voor het leggen van een koppeling met de in artikel 1.50, derde lid,
genoemde personen, inclusief hemzelf. De houder van een gastouderbureau
legt tevens een koppeling met de in artikel 1.56b, derde lid, bedoelde
personen. Voor de koppeling gebruikt de houder het burgerservicenummer,
zodat is gegarandeerd dat hij een koppeling legt met de personen die
daadwerkelijk aan hem verbonden moeten zijn en om de persoonsgegevens
van die personen in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk te kunnen verifieren.

4. Inschrijving in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk eindigt:

a. uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene
een verzoek tot beeindiging indient en zonder koppeling als bedoeld in
het derde lid staat ingeschreven;

b. uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene
een verzoek tot beeindiging indient, zonder koppeling als bedoeld in het
derde lid staat ingeschreven en het college het besluit tot verwijdering
van alle inschrijvingen van de ingeschrevene, bedoeld in artikel 1.47,
heeft genomen; 

c. uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene
een verzoek tot beeindiging indient, zonder koppeling als bedoeld in het
derde lid staat ingeschreven en niet meer op hetzelfde woonadres als een
houder van de voorziening voor gastouderopvang - voor zover dit tevens
de opvanglocatie is - zijn hoofdverblijf heeft of niet meer zijn
hoofdverblijf heeft op het adres waar een kindercentrum is gevestigd;

d. uiterlijk vier maanden nadat de ingeschrevene zonder koppeling als
bedoeld in het derde lid in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk is opgenomen;

e. uiterlijk vier maanden na het verzoek tot het overleggen van een
nieuwe verklaring omtrent het gedrag vanwege de ontvangst van een
melding van nieuwe gegevens in de justitiele documentatie of vanwege de
omstandigheid, bedoeld in artikel 1.50, vijfde tot en met zevende lid,
en artikel 1.56b, vierde en vijfde lid en de ingeschrevene geen nieuwe
verklaring omtrent het gedrag heeft overgelegd;

f. uiterlijk binnen twee weken na kennisgeving van het overlijden van de
ingeschrevene.

5. Ingeval van beeindiging als bedoeld in het vierde lid, onderdeel d,
kan de periode van vier maanden op verzoek van de ingeschrevene eenmaal
worden verlengd voor de duur van negen maanden, tenzij er een nieuwe
verklaring omtrent het gedrag is verlangd van de ingeschrevene.

6. Bij het inschrijven in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk kunnen kosten in rekening worden gebracht bij degene
die verzoekt om inschrijving. De kostenvergoedingen zijn niet hoger dan
een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen
bedrag. 

7. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de gegevensverwerking, bedoeld in het eerste en derde
lid. De regels hebben in ieder geval betrekking op:

a. de gegevens die in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk worden opgenomen;

b. de start van de continue screening kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk;

c. de wijze waarop de gegevens uit het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk worden verstrekt;

d. het aanwijzen van een bewerker; en

e. het verwijderen uit en bewaren van gegevens in het personenregister
kinderopvang en peuterspeelzaalwerk.

C

Artikel 1.50 wordt als volgt gewijzigd:

	1. Aan het tweede lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot
van onderdeel h door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

i. de opleidingseisen waaraan een beroepskracht meertalige
buitenschoolse opvang voldoet.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. De houder of voorgenomen houder van een kindercentrum en de personen
die werkzaam zijn dan wel zullen zijn op de locatie van een onderneming
waarmee de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden
opgevangen, de personen die uit hoofde van hun functie toegang hebben of
zullen hebben tot informatie over de kinderen die worden opgevangen en
de personen van 18 jaar en ouder die op het woonadres waar een
kindercentrum is gevestigd hun hoofdverblijf hebben dan wel die
structureel tijdens opvanguren aanwezig zijn op het kindercentrum,
gevestigd op een woonadres, zijn in het bezit van een verklaring omtrent
het gedrag en staan, voor zover het natuurlijke personen betreft,
ingeschreven in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk, bedoeld in artikel 1.48d. De verklaring omtrent het
gedrag is bij inschrijving in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk niet ouder dan twee maanden. 

3. Het vierde lid komt te luiden:

4. Na inschrijving van een persoon als bedoeld in het derde lid, en na
de koppeling, bedoeld in artikel 1.48d, derde lid, kan die persoon zijn
werkzaamheden aanvangen. 

4. Het vijfde lid komt te luiden:

5. Na inschrijving van een houder als bedoeld in het derde lid in het
personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk, dient die houder
een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, in. Ingeval van
een nieuwe aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, is de
houder, voorafgaand aan de nieuwe aanvraag, in het bezit van een nieuwe
verklaring omtrent het gedrag, indien de eerdere verklaring omtrent het
gedrag ouder is dan twee jaar.

5. Aan het zesde lid wordt een zin toegevoegd, luidende:

Ingeval opnieuw een verklaring omtrent het gedrag wordt verlangd wordt
de inschrijving van de houder in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk, bedoeld in artikel 1.48d, onmiddellijk door de
bewerker geblokkeerd. 

6. Aan het zevende lid wordt een zin toegevoegd, luidende:

Ingeval opnieuw een verklaring omtrent het gedrag wordt verlangd wordt
de inschrijving van die persoon in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk, bedoeld in artikel 1.48d, onmiddellijk door de
bewerker geblokkeerd. 

7. Het achtste en het negende lid vervallen.

8. Het tiende en elfde lid worden vernummerd tot achtste en negende lid.


9. Het negende lid (nieuw) vervalt. 

CA

	Aan artikel 1.55 wordt een lid toegevoegd, luidende:

	3. In afwijking van het eerste lid kan meertalige buitenschoolse opvang
worden verzorgd.

D

Artikel 1.56, derde lid, komt te luiden:

3. Op de houder of voorgenomen houder van een gastouderbureau en de
personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een
gastouderbureau exploiteert of daarvoor beschikbaar zijn, is artikel
1.50, derde tot en met achtste lid, van overeenkomstige toepassing. Op
de houder van een gastouderbureau is artikel 1.51 van overeenkomstige
toepassing. 

E

Artikel 1.56b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid, komt te luiden:

3. De gastouder en andere personen van 18 jaar of ouder die op hetzelfde
woonadres als de gastouder, voor zover dit tevens de opvanglocatie is,
hun hoofdverblijf hebben alsmede de personen van 18 jaar en ouder die
structureel tijdens opvanguren aanwezig zijn op de opvanglocatie, zijn
in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag en staan ingeschreven
in het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk, bedoeld in
artikel 1.48d. De verklaring omtrent het gedrag is bij inschrijving in
het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk niet ouder dan
twee maanden.

2. Het vierde lid komt te luiden:

4. Na inschrijving van een houder van een gastouderbureau in het
personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk, bedoeld in artikel
1.48d, dient die houder een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, tweede
lid, in. Ingeval van een nieuwe aanvraag is de houder, voorafgaand aan
de nieuwe aanvraag, in bezit van een nieuwe verklaring omtrent het
gedrag, indien de eerdere verklaring omtrent het gedrag ouder is dan
twee jaar. 

3. Aan het vijfde lid wordt een zin toegevoegd, luidende:

Ingeval opnieuw een verklaring omtrent het gedrag wordt verlangd wordt
de inschrijving van de persoon in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk, bedoeld in artikel 1.48d, onmiddellijk door de
bewerker geblokkeerd. 

4. Het zevende en achtste lid vervallen.

5. Het negende en tiende lid worden vernummerd tot zevende en achtste
lid.

6. In het achtste lid (nieuw) wordt ``het derde tot en met het negende
lid'' vervangen door: het derde tot en met het zevende lid.

F

Onder vernummering van het tweede tot derde lid, wordt artikel 1.61,
eerste lid, vervangen door:

1. Het college ziet toe op de naleving van:

a. de bij of krachtens afdeling 3 van dit hoofdstuk gestelde regels, met
uitzondering van de bij of krachtens artikel 1.48d, eerste lid en vierde
tot en met zevende lid, gestelde regels;

b. de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen;

c. de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting
dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden;

d. de in de bij artikel 1.50b vastgestelde algemene maatregel van
bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse
educatie.

2. Het college wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder. 

G

	Artikel 1.62 wordt als volgt gewijzigd:

	1. In het eerste lid wordt na ``afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit
hoofdstuk'' ingevoegd: , met uitzondering van het bepaalde bij of
krachtens artikel 1.48d, eerste lid en vierde tot en met zevende lid.

	2. In het tweede tot en met het vierde lid, wordt na ``afdeling 3,
paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk'' ingevoegd: , met uitzondering van
het bepaalde bij of krachtens artikel 1.48d, eerste lid en vierde tot en
met zevende lid,.

GA

	In artikel 1.63, tweede lid en artikel 1.65, eerste lid, wordt na
``afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk'' ingevoegd: , met
uitzondering van het bepaalde bij of krachtens artikel 1.48d, eerste lid
en vierde tot en met zevende lid,.

H

In artikel 1.66, tweede lid, wordt na ``afdeling 3, paragraaf 2, van dit
hoofdstuk'' ingevoegd: , met uitzondering van het bepaalde bij of
krachtens artikel 1.48d, eerste lid en vierde tot en met zevende lid,.

I

Aan artikel 2.1, eerste lid, worden de volgende begripsomschrijvingen
aan de alfabetische rangschikking toegevoegd:

continue screening kinderopvang en peuterspeelzaalwerk: de voortdurende
uitwisseling van gegevens over ingeschrevenen in het personenregister
kinderopvang en peuterspeelzaalwerk door Onze Minister met Onze Minister
van Veiligheid en Justitie voor de controle op nieuwe gegevens in de
justitiele documentatie van de ingeschrevene op basis waarvan wordt
beoordeeld of de ingeschrevene nog steeds voldoet aan de eisen zoals
deze gelden bij de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag; 

ingeschrevene: een persoon als bedoeld in artikel 1.48d, tweede lid, en
2.4c, tweede lid, die in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk is ingeschreven; 

justitiele documentatie: de documentatie, bedoeld in artikel 1, aanhef
en onder e, van de Wet justitiele en strafvorderlijke gegevens;

personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk: de verzameling van
gegevens die verwerkt worden ten behoeve van het doel beschreven in
artikel 1.48d, eerste lid, en artikel 2.4c, eerste lid;.

J

In hoofdstuk 2, afdeling 2, paragraaf 2 ``Eisen'' wordt voor artikel 2.5
een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.4c

1. Onze Minister verwerkt gegevens in het personenregister kinderopvang
en peuterspeelzaalwerk om te waarborgen dat alle personen die op grond
van deze wet over een verklaring omtrent het gedrag moeten beschikken,
continu worden gescreend waardoor wordt bijgedragen aan het vergroten
van de veiligheid van de opgevangen kinderen.

2. Met het oog op het in het eerste lid genoemde doeleinde schrijven de
personen, bedoeld in het eerste lid, zich in, in het personenregister
kinderopvang en peuterspeelzaalwerk.

3. De houder van een peuterspeelzaal heeft toegang tot het
personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk voor het leggen van
een koppeling met de in artikel 2.6, derde lid, genoemde personen,
inclusief hemzelf. Voor de koppeling gebruikt de houder het
burgerservicenummer zodat is gegarandeerd dat hij een koppeling legt met
de personen die daadwerkelijk aan hem verbonden moeten zijn en om de
persoonsgegevens van die personen in het personenregister kinderopvang
en peuterspeelzaalwerk te kunnen verifieren.

4. Inschrijving in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk eindigt:

a. uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene
een verzoek tot beeindiging indient en zonder koppeling als bedoeld in
het derde lid, staat ingeschreven; 

b. uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene
een verzoek tot beeindiging indient, zonder koppeling als bedoeld in het
derde lid staat ingeschreven en het college het besluit tot verwijdering
van de inschrijving, bedoeld in artikel 2.4, heeft genomen. 

c. uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene
een verzoek tot beeindiging indient, zonder koppeling als bedoeld in het
derde lid staat ingeschreven en niet meer zijn hoofdverblijf heeft op
het adres waar een peuterspeelzaal is gevestigd;

d. uiterlijk vier maanden nadat de ingeschrevene zonder koppeling als
bedoeld in het derde lid, in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk is opgenomen;

e. uiterlijk vier maanden nadat na ontvangst van een melding van nieuwe
gegevens in de justitiele documentatie of vanwege de omstandigheid,
bedoeld in artikel 2.6, zesde en zevende lid, en de ingeschrevene geen
nieuwe verklaring omtrent het gedrag heeft overgelegd;

f. uiterlijk binnen twee weken na kennisgeving van het overlijden van de
ingeschrevene.

5. Ingeval van beeindiging als bedoeld in het vierde lid, onderdeel d,
kan de periode van vier maanden op verzoek van de ingeschrevene eenmaal
worden verlengd voor de duur van negen maanden, tenzij er een nieuwe
verklaring omtrent het gedrag is verlangd van de ingeschrevene.

6. Bij het inschrijven in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk kunnen kosten in rekening worden gebracht bij degene
die verzoekt om inschrijving. De kostenvergoedingen zijn niet hoger dan
een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen
bedrag. 

7. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de gegevensverwerking, bedoeld in het eerste en derde
lid. De regels hebben in ieder geval betrekking op:

a. de gegevens die in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk worden opgenomen;

b. de start van de continue screening kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk;

c. de wijze waarop de gegevens uit het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk worden verstrekt;

d. het aanwijzen van een bewerker; en

e. het verwijderen uit en bewaren van gegevens in het personenregister
kinderopvang en peuterspeelzaalwerk.

K

Artikel 2.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

3. De houder of voorgenomen houder van een peuterspeelzaal en de
personen die werkzaam zijn dan wel zullen zijn op de locatie van een
onderneming waarmee de houder een peuterspeelzaal exploiteert en waar
kinderen worden opgevangen, alsmede de personen die uit hoofde van hun
functie toegang hebben of zullen hebben tot informatie over de kinderen
die worden opgevangen en de personen van 18 jaar en ouder die op het
woonadres waar een peuterspeelzaal is gevestigd hun hoofdverblijf hebben
dan wel die structureel tijdens opvanguren aanwezig zijn op de
peuterspeelzaal, gevestigd op een woonadres, zijn in het bezit van een
verklaring omtrent het gedrag en staan ingeschreven in het
personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk, bedoeld in artikel
2.4c. Op het moment van inschrijving in het personenregister
kinderopvang en peuterspeelzaalwerk is de verklaring omtrent het gedrag
niet ouder dan twee maanden.

2. Het vierde lid komt te luiden:

4. Na inschrijving van een persoon als bedoeld in het derde lid, en na
de koppeling, bedoeld in artikel 2.4c, derde lid, kan die persoon zijn
werkzaamheden aanvangen. 

3. Het vijfde lid komt te luiden:

5. Na inschrijving van een houder als bedoeld in het derde lid in het
personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk, dient die houder
een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, in. Ingeval van een
nieuwe aanvraag als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, is de houder,
voorafgaand aan de nieuwe aanvraag, in bezit van een nieuwe verklaring
omtrent het gedrag, indien de eerdere verklaring omtrent het gedrag
ouder is dan twee jaar.

4. Aan het zesde lid wordt een zin toegevoegd, luidende:

Ingeval opnieuw een verklaring omtrent het gedrag wordt verlangd wordt
de inschrijving van de houder in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk, bedoeld in artikel 2.4c, onmiddellijk door de
bewerker geblokkeerd. 

5. Aan het zevende lid wordt een zin toegevoegd, luidende:

Ingeval opnieuw een verklaring omtrent het gedrag wordt verlangd wordt
de inschrijving van de persoon in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk, bedoeld in artikel 2.4c, onmiddellijk door de
bewerker geblokkeerd. 

6. Het achtste en het negende lid vervallen.

7. Het tiende en elfde lid worden vernummerd tot achtste en negende lid.

8. Het negende lid (nieuw) vervalt.

L

Onder vernummering van het tweede tot derde lid, wordt artikel 2.19,
eerste lid, vervangen door:

1. Het college ziet toe op de naleving van:

a. de bij of krachtens afdeling 2 van dit hoofdstuk gestelde regels, met
uitzondering van de bij of krachtens artikel 2.4c, eerste lid en vierde
tot en met zevende lid, gestelde regels;

b. de krachtens artikel 2.23 gegeven aanwijzingen en bevelen;

c. de krachtens artikel 2.24, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting
dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden;

d. de in de bij artikel 2.8 vastgestelde algemene maatregel van bestuur
vastgestelde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie.

2. Het college wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder. 

M

	Artikel 2.20 wordt als volgt gewijzigd:

	1. In het eerste lid wordt na ``afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit
hoofdstuk'' ingevoegd: , met uitzondering van het bepaalde bij of
krachtens artikel 2.4c, eerste lid en vierde tot en met zevende lid.

	2. In het tweede en derde lid, wordt na ``afdeling 2, paragrafen 2 en
3, van dit hoofdstuk'' ingevoegd: , met uitzondering van het bepaalde
bij of krachtens artikel 2.4c, eerste lid en vierde tot en met zevende
lid,.

MA

	In artikel 2.21, tweede lid en artikel 2.23, eerste lid, wordt na
``afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk'' ingevoegd: , met
uitzondering van het bepaalde bij of krachtens artikel artikel 2.4c,
eerste lid en vierde tot en met zevende lid,.

N

In artikel 2.24, tweede lid, wordt na ``afdeling 2, paragraaf 2, van dit
hoofdstuk'' ingevoegd: , met uitzondering van het bepaalde bij of
krachtens artikel 2.4c, eerste lid en vierde tot en met zevende lid,.

Na

	Onder vernummering van het tweede lid van artikel 2.29 tot derde lid,
wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

	2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden
worden gesteld aan de deelname aan een experiment.

O

Na artikel 3.8i wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.8j

	1. Onze Minister verwerkt de gegevens van de personen die op basis van
de artikelen 9a, 9b, 15a en 15b van het Besluit registers kinderopvang
en peuterspeelzaalwerk onder de continue screening vallen vanaf de datum
van inwerkingtreding van artikel 1.48d en artikel 2.4c tot een bij
ministeriele regeling te bepalen tijdstip in het personenregister
kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Deze personen kunnen bij hun
inschrijving gebruik maken van hun bestaande verklaring omtrent het
gedrag.

	2. Bij de personen, bedoeld in het eerste lid, en bij de overige
personen die op grond van de artikelen 1.50, derde lid, 1.56, derde lid,
1.56b, derde lid en 2.6, derde lid, in het bezit dienen te zijn van een
verklaring omtrent het gedrag, worden in verband met de verwerking van
hun gegevens in het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk
tot een bij ministeriele regeling te bepalen tijdstip geen kosten in
rekening gebracht. 

ARTIKEL IA

	Indien de Wet versterking positie ouders kinderopvang en
peuterspeelzalen eerder in werking treedt dan deze wet, komt artikel I,
onderdelen F, G, GA, L, M en MA, van deze wet te luiden:

F

	Onder vernummering van het tweede tot derde lid, wordt artikel 1.61,
eerste lid, vervangen door:

	1. Het college ziet toe op de naleving van:

	a. de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde
regels, met uitzondering van het bepaalde  bij of krachtens artikel
1.48d, eerste lid en vierde tot en met zevende lid, gestelde regels;

	b. de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen;

	c. de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting
dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden;

	d. de in de bij artikel 1.50b vastgestelde algemene maatregel van
bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse
educatie.

	2. Het college wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder. 

G

	Artikel 1.62 wordt als volgt gewijzigd:

	1. In het eerste lid wordt na ``de bij of krachtens de artikelen 1.45
tot en met 1.59 gestelde regels'' toegevoegd: , met uitzondering van het
bepaalde bij of krachtens artikel 1.48d, eerste lid en vierde tot en met
zevende lid.

	2. In het tweede tot en met vierde lid, wordt na ``de bij of krachtens
de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels'' toegevoegd: , met
uitzondering van het bepaalde bij of krachtens artikel 1.48d, eerste lid
en vierde tot en met zevende lid.

GA

	In artikel 1.63, tweede lid en artikel 1.65, eerste lid, wordt na ``de
bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels''
ingevoegd: , met uitzondering van het bepaalde bij of krachtens artikel
1.48d, eerste lid en vierde tot en met zevende lid,.

L

	Onder vernummering van het tweede tot derde lid, wordt artikel 2.19,
eerste lid, vervangen door:

	1. Het college ziet toe op de naleving van:

	a. de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde
regels, met uitzondering van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.4c,
eerste lid en vierde tot en met zevende lid, gestelde regels;

	b. de krachtens artikel 2.23 gegeven aanwijzingen en bevelen;

	c. de krachtens artikel 2.24, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting
dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden;

	d. de in de bij artikel 2.8 vastgestelde algemene maatregel van bestuur
vastgestelde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie.

	2. Het college wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.

M

	Artikel 2.20 wordt als volgt gewijzigd:

	1. In het eerste lid wordt na ``de bij of krachtens de artikelen 2.5
tot en met 2.16 gestelde regels'' toegevoegd: , met uitzondering van het
bepaalde bij of krachtens artikel 2.4c, eerste lid en vierde tot en met
zevende lid.

	2. In het tweede en derde lid, wordt na ``de bij of krachtens de
artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels'' ingevoegd: , met
uitzondering van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.4c, eerste lid
en vierde tot en met zevende lid.

MA

	In artikel 2.21, tweede lid, en artikel 2.23, eerste lid, wordt na ``de
bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels''
ingevoegd: , met uitzondering van het bepaalde bij of krachtens artikel
2.4c, eerste lid en vierde tot en met zevende lid,.

ARTIKEL IB

	Indien de Wet versterking positie ouders kinderopvang en
peuterspeelzalen later in werking treedt dan artikel I, onderdelen G,
GA, M en MA, van deze wet, wordt de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen als volgt gewijzigd:

A

	Artikel 1.62 wordt als volgt gewijzigd:

	1. In het eerste lid wordt ``het bepaalde bij of krachtens afdeling 3,
paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk'' vervangen door: de bij of
krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels.

	2. In het tweede tot en met vierde lid, wordt ``de bij of krachtens
afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk'' vervangen door ``de
bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels'' en
wordt ``derde tot en met zevende lid, gestelde regels'' vervangen door:
vierde tot en met zevende lid.

B 

	In de artikelen 1.63, tweede lid, en artikel 1.65, eerste lid, wordt
``de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk''
vervangen door ``de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59
gestelde regels'' en vervalt: gegeven voorschriften.

C

	Artikel 2.20 wordt als volgt gewijzigd:

	1. In het eerste lid wordt ``het bepaalde bij of krachtens afdeling 2,
paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk'' vervangen door: de bij of
krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels.

	2. In het tweede en derde lid wordt ``de bij of krachtens afdeling 2,
paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk'' vervangen door: ``de bij of
krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels'' en wordt
``derde tot en met zevende lid, gestelde regels'' vervangen door: vierde
tot en met zevende lid.  

D 

	In de artikelen 2.21, tweede lid, en artikel 2.23, eerste lid, wordt
``de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, van dit hoofdstuk''
telkens vervangen door ``de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met
2.16 gestelde regels'' en vervalt: gegeven voorschriften.

ARTIKEL II

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld. 

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

 

 

 PAGE    

 PAGE   1