Inbreng verslag schriftelijk overleg over evaluatie Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen
Rechtsstaat en Rechtsorde
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2015D19128, datum: 2015-05-22, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: L. Ypma, voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (Ooit PvdA kamerlid)
- Mede ondertekenaar: A.E.A.J. Hessing-Puts, griffier
Onderdeel van zaak 2015Z06536:
- Indiener: G.A. van der Steur, minister van Veiligheid en Justitie
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2015-04-21 15:30: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2015-04-29 16:15: Procedures en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2015-05-21 14:00: Aanbieding evaluatie Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (29279, nr. 230) (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2015-09-09 14:30: Procedures en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2016-06-15 14:00: Forensisch onderzoek (Algemeen overleg), vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (2010-2017)
- 2016-07-05 15:30: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (🔗 origineel)
29279 Evaluatie Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen
Nr. Verslag van een schriftelijk overleg
Vastgesteld …
De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft een aantal vragen en
opmerkingen voorgelegd aan de minister van Veiligheid en Justitie over zijn brief d.d. 9 april 2015 inzake de evaluatie van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (Kamerstuk 29279, nr. 230).
Bij brief van ... heeft de minister van Veiligheid en Justitie deze vragen beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,
Ypma
De griffier van de commissie,
Hessing-Puts
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
II. Reactie van de minister van Veiligheid en Justitie
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Inleiding
Met interesse hebben de leden van de VVD-fractie kennisgenomen van de aangeboden evaluatie van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD). Zij staan nog steeds achter de invoering van een dergelijk register met het oog op het borgen van de kwaliteit van in te schakelen gerechtelijk deskundigen. Juist in het traject van het opsporen en vervolgen van strafbare feiten is het van het grootste belang dat kan worden vertrouwd op een hoge kwaliteit van gerechtelijk deskundigen.
De aan het woord zijnde leden hebben enkele vragen bij de aangeboden evaluatie.
De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de evaluatie van het NRGD. Deze leden zijn verheugd dat het register op veel deskundigheidsgebieden goed gevuld blijkt te zijn en dat het register een zeeffunctie blijkt te hebben waardoor ongeschikte deskundigen uit het strafproces kunnen worden geweerd. Toch hebben zij enkele vragen.
De leden van de SP-fractie wijzen erop dat er binnen de rechtspraak al vele jaren aandacht bestaat voor het verbeteren van de inzet van deskundigen in gerechtelijke procedures. Voor het strafrecht heeft dat geleid tot een wettelijke regeling ten aanzien van het inschakelen van deskundigen in de per 1 januari 2010 in werking getreden Wet deskundigen in strafzaken en de oprichting van het NRGD.
Ten aanzien van civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken heeft de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) in 2008 een rapport gepubliceerd met de titel: ´Inschakeling van deskundigen in de rechtspraak´.1 In dit rapport wordt de behoefte bij de rechterlijke macht en de advocatuur aan openbaar toegankelijke informatie over te benoemen deskundigen breed bevestigd. Verder is in 2008 de eerste fase van het door de Rvdr ingestelde project deskundigenindex (DIX) afgerond. Dit project behelsde het opzetten van een deskundigenindex voor de sectoren civiel- en bestuursrecht. Dit project viel samen met de oprichting van het NRGD en op verzoek van de Rvdr is vervolgens het streven van het DIX-project erop gericht om in samenwerking met het NRGD een hanteerbaar systeem van kwaliteitstoetsing en -borging tot stand te brengen, dat verzekerd is van voldoende draagvlak bij zowel gebruikers als deskundigen. Vervolgens is een werkgroep Uitbreiding NRGD Civiel en Bestuursrecht ingesteld. Klopt het dat deze werkgroep al geruime tijd niet meer actief is? Wat is daarvan de reden en is deze reden na al die jaren nog steeds geldig? In hoeverre deelt de minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) de mening dat ook in veel civiele- en bestuursrechtelijke zaken het oordeel van deskundigen van doorslaggevende betekenis is? Deelt hij tevens de mening dat het waarborgen van de kwaliteit deskundigen ook in civiele- en bestuursrechtelijke procedures van belang is? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet? Hoe wordt op dit moment de kwaliteit van de door de civiele rechters en bestuursrechters ingeschakelde deskundigen getoetst en beoordeeld? Waarom golden of gelden de redenen en noodzaak om in het strafrecht een wettelijk systeem van kwaliteitsborging op te zetten niet voor het bestuursrecht en het civiele recht? Kan dit antwoord uitgebreid worden toegelicht?
De leden van de SP-fractie wijzen er ook op dat het NRGD aandacht heeft gevraagd voor de kwaliteitswaarborging in het civiel recht en het bestuursrecht.
Deze leden vragen of de minister de stelling deelt uit het rapport ´Inschakeling van deskundigen in de rechtspraak´ dat de kwaliteit van deskundigen beter toetsbaar is door het NRGD dan door de zittingsrechter of rechter-commissaris? Is de minister in het licht van voorgaande vragen en opmerkingen bereid om het NRGD (al dan niet gefaseerd) uit te breiden met deskundigen die ingezet worden in (eerst) een bestuursrechtelijk procedure en (in een latere fase) een civiele procedure? Zo nee, waarom niet en is hij dan bereid om onderzoek te laten doen naar de verschillende mogelijkheden om de kwaliteitswaarborging in het civiel recht en het bestuursrecht en de kosten die daarmee samenhangen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de SP-fractie maken zich nog steeds zorgen over de kwaliteit van de lijkschouwing. Er is toegezegd dat geneeskundestudenten tijdens de studie meer aandacht moeten besteden aan de forensische geneeskunde. Hiermee is het probleem in het veld niet opgelost. Er is bijvoorbeeld nog steeds geen praktijkexamen. Deelt de minister de mening dat de kwaliteit van de opleiding van lijkschouwers nog steeds een punt van zorg is en dat kennisoverdracht door bijvoorbeeld het meelopen met praktiserende lijkschouwers van grote meerwaarde is? Zo ja, zijn er mogelijkheden om dit te regelen? Zo nee, waarom niet? Is de minister voorts op basis van het rapport van de Gezondheidsraad bereid eraan bij te dragen dat er een langetermijnvisie ontwikkeld wordt op de forensische geneeskunde en de kwaliteitswaarborging? Meent hij voorts dat dit een gezamenlijke taak en verantwoordelijkheid is van de ministeries van Veiligheid en Justitie, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap? Zo nee, waarom niet?
De leden van de CDA-fractie hebben nog enkele vragen aan de minister over de door hem gegeven reactie op de onderzoeksresultaten.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de bovengenoemde evaluatie van het NRGD. Naar aanleiding hiervan hebben zij enkele vragen.
Het onderzoek en de onderzoeksresultaten
Het valt de leden van de PvdA-fractie op dat uit de evaluatie van het NRGD blijkt dat er vanuit de advocatuur weinig belangstelling bestaat voor het gebruik van deskundigen uit dit register. Kan de minister dit verklaren? Kan hij ook verklaren waarom de respons door advocaten op de enquête die ten grondslag ligt aan de evaluatie zo laag uitvalt dat de uitkomsten voor deze beroepsgroep niet eens representatief worden geacht?
De aan het woord zijnde leden lezen in de evaluatie dat de meeste geregistreerde technische deskundigen bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) werkzaam zijn. Bijvoorbeeld op het terrein van DNA-analyse zijn maar drie deskundigen niet bij het NFI werkzaam. Op de expertisegebieden ‘Verdovende middelen’ en ‘Forensisch Wapen- en Munitieonderzoek’ zijn helemaal geen deskundigen van buiten het NFI geregistreerd. Dat betekent bijvoorbeeld dat de verdediging op deze deskundigheidsgebieden geen mogelijkheid heeft om contra-expertise te betrekken van een geregistreerde deskundige die niet bij dezelfde organisatie werkzaam is als de eerste deskundige. Dit is wel noodzakelijk, want het NFI kan niet worden ingeschakeld voor tegenonderzoek als een deskundige van het NFI het eerste onderzoek heeft verricht. Deelt de minister de mening dat de verdediging zou moeten kunnen beschikken over geregistreerde deskundigen die niet in dienst van het NFI zijn, met name in het geval van hoger beroep? Zo ja, hoe gaat hij dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet? Wat is de stand van zaken van het initiatief van het NRGD om buitenlandse deskundigen te registreren? En wat is de stand van zaken van de Europese initiatieven om de kwaliteitswaarborging van forensisch onderzoek en rapportage te verbeteren?
De leden van de PvdA-fractie lezen dat er voor steeds meer deskundigheidsgebieden registratie mogelijk wordt, maar dat dit voor zeer specialistische expertise (nog) niet mogelijk is. Kan de minister aangeven over welke concrete specialismen het gaat? Hoe gaat de minister het NRGD er toe aanzetten om voor alle specialismen registratie mogelijk te maken?
In welke gevallen maakt het openbaar ministerie (OM) gebruik van niet-geregistreerde deskundigen?
Voornoemde leden lezen in de evaluatie dat het register er vooral toe heeft bijgedragen dat deskundigen met te weinig kennis niet tot het register worden toegelaten en dat het register daarmee een zeeffunctie heeft. Daarentegen is het niet duidelijk of de normering, toetsing en registratie daadwerkelijk tot kwalitatief betere deskundigen leidt. Acht de minister verdere verbetering van de kwaliteit nodig en zo ja, hoe gaat hij dit bewerkstellingen? Zo nee, waarom niet? Draagt het verruimen van de mogelijk van voorwaardelijke registratie voor vooral zojuist opgeleide deskundigen bij aan de verbetering van die kwaliteit en zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De leden van de CDA-fractie vragen de minister meer in het algemeen te reflecteren op de resultaten in de tabellen 5.8 en 5.9 uit het onderzoek. Hieruit blijkt dat het aantal strafzaken in de loop der jaren is afgenomen, maar het aantal opdrachten aan deskundigen in het strafproces daarentegen stijgt. Kan de minister ingaan op de achtergronden en mogelijke redenen hiervoor?
Voornoemde leden vragen de minister aan te geven of hij uit het onderzoek dan wel anderszins, kan opmaken in hoeveel procent de rechtspraktijk geen geregistreerde deskundigen inschakelt en ook wat de redenen hiervan kunnen zijn. Deze leden zijn ook benieuwd hoe de minister zelf de twee stellingnames uit tabel 6.6 beoordeelt, te weten dat registratie bij het NRGD een verplichtend karakter zou moeten hebben alsmede dat deskundigen zich niet alleen dienen in te schrijven, maar ook beëdigd zouden moeten worden.
De aan het woord zijnde leden vragen de minister in te gaan op de relatie tussen het NRGD en de Stichting Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen (LRGD). Is het nog steeds zo dat beide registers elkaar maar voor een klein gedeelte overlappen? Hoe klein is deze overlap precies? Kan de minister ook aangeven of de situatie zich voordoet dat een deskundige niet wordt toegelaten tot het NRGD en vervolgens wél ingeschreven wordt in het LRGD? Welke risico’s zijn hier mogelijk aan verbonden?
Deze leden vragen ook of beide registers hetzelfde doel nastreven, namelijk te komen tot één openbaar register waarin gerechtelijk deskundigen zijn opgenomen, zoals bij de totstandkoming van het LRGD werd aangegeven. Zij vragen de minister aan te geven op welke wijze samenwerking plaatsvindt, alsmede wordt bevorderd om dit doel te realiseren en welke rol de minister hierin voor zichzelf ziet weggelegd.
De leden van de PVV-fractie lezen in de evaluatie dat vooral beroepsdeskundigen zich laten registreren. Voor deskundigen die per jaar slechts enkele onderzoeken doen is registratie minder aantrekkelijk. Dit geldt met name voor psychiaters en psychologen. Hoe gaat de minister dit oplossen?
De aan het woord zijnde leden merken op dat de meeste geregistreerde technische deskundigen werkzaam zijn bij het NFI. Op bepaalde gebieden zijn geen andere deskundigen geregistreerd dan deskundigen van het NFI, bijvoorbeeld op de expertise gebieden ‘Verdovende middelen’ en ‘Forensisch Wapen- en Munitieonderzoek ’. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat er ook andere deskundigen op deze gebieden zullen worden geregistreerd, gelet op het feit dat het NFI niet kan worden ingeschakeld voor tegenonderzoek als een deskundige van het NFI het eerste onderzoek heeft verricht? Ondanks dat er slechts in zeer beperkte mate gebruik wordt gemaakt van contra-expertise, is dit wel noodzakelijk.
Voornoemde leden wijzen erop dat in het register niet terug te vinden is wat het niveau van kennis en ervaring van de deskundige is, of de deskundige volledig of voorwaardelijk is geregistreerd en welke specifieke vaardigheden de deskundige bezit. Ook worden er geen curriculum vitae met daarin opleiding, functie en achtergrond van deskundigen in het register opgenomen. Hier is van afgezien, omdat dat zou leiden tot een complex geheel aan aanvullende normen en toetsingen. De leden van de PVV-fractie vragen of alleen een curriculum vitae en het label volledig of voorwaardelijk ook al zullen leiden tot moeilijkheden.
De gebruikers van de rapportages hebben kritiek over de lengte van een Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek (FPPO)-rapport. Dit zou voortvloeien uit de formats die het NFIP heeft ontwikkeld om rapportages te stroomlijnen. De rapporteur herhaalt uitvoerig wat ook in andere rapporten en zelfs in de dagvaarding te vinden is alvorens aan de eigen bevindingen toe te komen. Eén van de respondenten geeft zelfs aan dat niemand de eerste 30 pagina’s van een dergelijk rapport leest. Ziet de minister aanleiding om hier wat aan te doen, bijvoorbeeld door de formats aan te passen? Zo nee, waarom niet en hoe wordt dit probleem dan opgelost?
De leden van de PVV-fractie constateren dat de meeste deskundigen ervaren dat het registratiesysteem weinig invloed heeft op de kwaliteit van hun werk. De registratie lijkt vooralsnog vooral als een zeef te werken. Voor een eventuele verdere verbetering van de forensische advisering zou meer nodig zijn dan verdere aanscherping van prestaties, namelijk een verbetering van de opleidingen. Streeft de minister verdere verbetering na en gaat hij daarom iets veranderen aan de opleidingen? Zo ja wat gaat hij veranderen?
Reactie
De leden van de VVD-fractie merken op dat uit het onderzoek blijkt dat onder meer onvrede bestaat over het tijdsbeslag van de procedure om zich te laten registreren als deskundige. In zijn reactie stelt de minister dat het NFI en het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP) langs de weg van de accreditatie van hun opleidingen een bijdrage willen leveren aan de vermindering van de toetsingslast bij het NRGD. Dit zal volgens de minister mogelijk tot gevolg hebben dat toetsingen sneller worden uitgevoerd. Kan nader worden ingegaan op deze suggestie? Wat is exact de rol van het NFI en NIFP in het sneller laten uitvoeren van toetsingen? Zijn er nog andere manieren waarop het tijdsbeslag dat de procedure vergt kan worden ingekort? Zo ja, aan welke manieren wordt gedacht?
Daarnaast volgt uit het onderzoek dat het stadium is bereikt waarin de rechtspraktijk doorgaans geregistreerde deskundigen inschakelt, mits voorhanden. Voornoemde leden zouden het zeer positief vinden als standaard gebruik zou worden gemaakt van geregistreerde deskundigen, mits voorhanden natuurlijk. Wordt deze opvatting gedeeld? Zo ja, op welke wijze kan worden gestimuleerd dan wel bereikt dat (nog) meer gebruik wordt gemaakt van geregistreerde gerechtelijk deskundigen? Welke rol kan de minister hierin spelen? Voorts stelt de minister in zijn reactie op de aangeboden evaluatie dat de door de NRGD geïntroduceerde kwaliteitsstandaarden een disciplinerende werking hebben. Kan worden aangegeven op welke wijze deze disciplinerende werking vorm krijgt? Kan een niet-functionerende deskundige of een deskundige die niet aan de vereisten voldoet disciplinair worden gestraft? Op grond van welke criteria wordt overgegaan tot doorhaling van inschrijving van deskundigen? Op welke wijze wordt bijgehouden of een ingeschreven gerechtelijk deskundige nog altijd aan de vereiste criteria voldoet? Ten slotte onderschrijven de aan het woord zijnde leden de opmerking van de minister over het kostenaspect.
De leden van de PvdA-fractie lezen dat uit de evaluatie blijkt dat vanwege het deskundigenregister rechters minder kritisch zouden kunnen kijken naar de deskundigen en hun oordeel. Daarmee zou naar mening van deze leden het risico kunnen ontstaan dat rechters het oordeel van een deskundige te gemakkelijk overnemen. Is het aanstellen van forensisch ondersteuners bij de gerechten afdoende om dit risico te voorkomen? Uit de evaluatie komt naar voren dat het tot nu toe ontbroken heeft aan een kritisch debat over de eigen rol en verantwoordelijkheid van de rechter in relatie tot bijdragen van deskundigen aan het strafproces. Deelt de minister die mening? Zo ja, wil hij dan dit debat – alsnog entameren, bijvoorbeeld in samenspraak met de Rvdr? Zo nee, waarom niet?
De aan het woord zijnde leden begrijpen dat in het geval er een niet-geregistreerde deskundige moet worden geraadpleegd die door de rechter-commissaris moet worden benoemd. Op grond van welke kennis en criteria kan de rechter-commissaris deze deskundigen benoemen? Acht de minister het mogelijk dat rechters de oordelen van niet-geregistreerde deskundigen juist kritischer gaan benaderen dan de oordelen van wel geregistreerde deskundigen? Zo ja, waarom en wordt dit wenselijk geacht? Zo nee, waarom niet?
De leden van de SP-fractie beseffen dat het opheffen van het mobiele team van het NFI en de overheveling van taken naar de politie geen direct verband houdt met het NRGD. Toch heeft dit indirect invloed op het werk van deskundigen aangesloten bij het NRGD. Het maakt uit wat en hoe het NFI en de politie informatie aanleveren waar deskundigen van het NRGD mee verder kunnen. Klopt het dat er bij de politie geen speciaal beleid wordt gevoerd op kwaliteitswaarborging? Kan de minister zijn antwoord toelichten? Zo nee, op welke wijze is de kwaliteit dan gewaarborgd en waarom is dat volgens de minister voldoende?
Voornoemde leden vragen of de minister bereid is zich ervoor in te zetten dat het NRGD een rol krijgt in die beleidssystematiek door bijvoorbeeld kwaliteitseisen en het beleidsplan hierop binnen de politieorganisatie te toetsen vanuit de kennis en kunde van het NRGD. Zo nee, waarom niet? Deelt de minister de mening dat ook op dit punt, dus waar het gaat om de rol van onder andere de politie bij forensisch onderzoek, onder andere politie, het OM, het NFI en het NRGD met een plan en een visie moeten komen over kwaliteitsborging, goede opleidingen en vervolgopleidingen? Zo ja, hoe gaat de minister zich hiervoor inzetten? Zo nee, waarom niet?
De aan het woord zijnde leden vragen of het klopt dat het NRGD niet kan terugvallen op bestaande erkende kwaliteitsopleidingen met als gevolg dat een enkele administratieve toets niet volstaat. Wat is de minister bereid om hieraan te doen, eventueel in samenwerking met andere betrokken ministeries?
De leden van de SP-fractie willen weten wat de minister bedoelt als hij aangeeft nog eens kritisch te willen kijken naar het kostenaspect van het NRGD. Hij geeft voorts aan dat het register een aanzienlijke uitgavenpost vormt in relatie tot de uitgaven voor gerechtelijke rapportages. Erkent de minister dat het NRGD meer doet dan alleen gerechtelijke rapportages nu het NRGD ook zorgdraagt voor de kwaliteitsborging die op geen enkele andere manier goed is geregeld? Klopt het dat het jaarlijkse budget van de NRGD 1,5 miljoen euro is? Is dit bedrag het niet waard om te besteden aan kwaliteitswaarborging? Hoe staan de kosten in verhouding tot deze kwaliteitsborging? Aangezien er geen of weinig gecertificeerde opleidingen zijn, is zoals gezegd een puur administratiefrechtelijke toets niet mogelijk. Als de minister wil dat het NRGD efficiënter zal gaan werken, moet hij werk maken van die gecertificeerde (praktijk)opleidingen. Hij laat het aan het veld over, maar waar het gaat om onder andere de lijkschouwing heeft het veld nu meerdere malen aangegeven dat niet voor elkaar te krijgen door het ontbreken van benodigde middelen. Graag ontvangen deze leden hierop een reactie.
De leden van de SP-fractie hebben begrepen dat het NRGD buitenlandse experts aan het aantrekken is om het aanbod van contra-expertise uit te kunnen breiden. Dat is positief, maar kan ertoe leiden dat dit ten koste gaat van de Nederlandse deskundigen, omdat indien zij niet voldoende bevraagd worden zij niet meer voldoen aan de gestelde eisen (‘ervaringsuren’). Hoe ziet de minister dit?Zeer specialistische deskundigen uit Nederland voldoen bovendien niet altijd aan de eisen voor inschrijving, omdat de vraag onvoldoende is. Wat vindt de minister daarvan? Het risico bestaat dat, omdat een deskundige niet ingeschreven kan worden, een specialisme in Nederland verdwijnt als er te weinig vraag naar is. Graag ontvangen deze leden hierop een reactie.
Tot slot vragen deze leden aandacht voor samenwerking met andere Europese landen als het gaat om kwaliteitsborging, het bundelen van krachten en het behouden van bepaalde specifieke expertises. Wat zijn de ideeën van de minister hierover?
De leden van de CDA-fractie merken op dat de minister aangeeft een oplossing van de NRGD te verlangen ten aanzien van de borging van de kwaliteit en vindbaarheid van zowel de deskundigen die kleine deskundigheidsgebieden vertegenwoordigen als de super gespecialiseerde deskundigen. Deze leden vragen de minister welke oplossing hij zelf voor ogen heeft, gelet op de conclusie van de onderzoekers dat het niet waarschijnlijk is dat in 100% van de gevallen er een deskundige kan worden benoemd die is geregistreerd en dit ook niet alle gevallen opportuun lijkt.
De onderzoekers schetsen in hun conclusie een aantal opties om de rol van forensisch deskundigen in het strafproces te verbeteren, onder meer door waardering van de rechtspraak zelf van de deskundigen. Graag vernemen deze leden hierop een reactie van de minister. In het bijzonder vragen zij de minister in te gaan op de opmerkingen omtrent een systematisch verplichte training voor alle strafrechters en (forensisch) officieren, het gebrek aan wederzijds feedback tussen deskundigen en de rechterlijke macht (en hoe dat verbeterd zou kunnen worden volgens de minister), het verder uitbouwen van opleidingsfaciliteiten met daaraan gekoppelde officiële diplomering alsmede mogelijkheden om de nationale strafrechtpleging meer toe te passen op internationale ontwikkelingen op forensisch terrein.
Ten aanzien van het kostenaspect begrijpen de leden van de CDA-fractie de wens van de minister om nog eens kritisch te kijken naar hoe dit verminderd kan worden. Zij vragen echter wel te reageren en ook mee te wegen op de voorzichtige conclusie van de onderzoekers dat gegeven de gekozen aanpak er waarschijnlijk niet veel mogelijkheden zijn om de kosten te reduceren. Deze leden vernemen graag waar de minister wel ruimte ziet om de kosten te reduceren en of dit ook op instemming van het onafhankelijke College gerechtelijke deskundigen (alsmede het bureau van het NRGD) kan rekenen.
Ten aanzien van de voorgenomen maatregelen om de mogelijkheid van een voorwaardelijke registratie te verruimen, vragen de leden van de CDA-fractie waaruit in het rapport blijkt dat hiertoe een noodzaak zou bestaan en waar de verschillen met de voorwaardelijke registratie zoals die thans al mogelijk is (artikel 19 Besluit register deskundigen in strafzaken) uit bestaan.
De leden van de PVV-fractie merken op dat de minister aangeeft er bij het NRGD op aan te dringen dat de deskundigen van grote nog niet omlijnde en genormeerde deskundigheidsgebieden binnen afzienbare tijd een aanvraag kunnen doen voor registratie. Deze leden vragen wat hiervan de stand van zaken is.
Deze leden merken voorts op dat één van de conclusies is dat weinig voorkomende, zeer gespecialiseerde en hoogwaardig academische deskundigheden vanwege de werkwijze van het NRGD noodgedwongen buiten de werking van het register zullen blijven. Dit komt door de werkwijze van het NRGD. De minister acht dit onwenselijk en zal het NRGD verzoeken een oplossing te vinden voor de borging van de kwaliteit en vindbaarheid van zowel de deskundigen die kleine deskundigheidsgebieden vertegenwoordigen als de super gespecialiseerde deskundigen. De aan het woord zijnde leden vragen of het NRGD dan hun werkwijze gaat aanpassen. Zo ja, op welke wijze? Zo nee, op welke wijze wordt dan een oplossing gevonden?
Voornoemde leden merken op dat de minister aangeeft dat de rechtspraak het gevaar aanwezig acht dat rechters deskundigen en hun oordeel niet meer kritisch toetsen. De rechtspraak wijst er op dat de meeste gerechten sinds kort investeren in de verbetering van de waardering van deskundigenrapporten, mede door middel van de aanstelling van forensisch ondersteuners die als een tolk fungeren tussen de rechters en de soms moeilijke statistische gegevens en wetenschappelijke taal in rapporten. Kan er al iets gezegd worden over het effect van deze investering?
De leden van de PVV-fractie constateren dat de minister in aanvulling op het onderzoek nog eens kritisch wil kijken naar het kostenaspect, omdat het register een aanzienlijke uitgavenpost vormt in relatie tot de uitgaven voor gerechtelijke rapportages. Is hier inmiddels al naar gekeken en waar denkt de minister dan aan? De onderzoekers geven namelijk aan dat er voorzichtig kan worden geconcludeerd dat er, gegeven de gekozen aanpak waarschijnlijk niet veel mogelijkheden zijn om de kosten te reduceren. Het NRGD heeft zelf wel al een aantal maatregelen genoemd die de efficiency kunnen verbeteren. Worden deze maatregelen ook genomen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit?
De leden van de PVV-fractie vragen waarom de minister maatregelen wil nemen met betrekking tot het verlengen van de termijn van registratie van vier naar vijf jaar.
Voornoemde leden merken voorts op dat het NRGD heeft aangegeven de deskundigheidsvereisten te willen aanscherpen(‘de lat hoger leggen’). De onderzoekers geven aan dat een vergaande beoordeling van forensische deskundigheid pas zinvol is wanneer er meer en betere opleidingen op forensisch gebied komen. Gaat het NRGD dus betere opleidingen realiseren?
II. Reactie van de minister van Veiligheid en Justitie