[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

34195 Adv RvSt inzake Wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de totstandkoming van het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk

Wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de totstandkoming van het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk

Advies Afdeling advisering Raad van State

Nummer: 2015D16086, datum: 2015-04-23, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2015Z07700:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


No.W12.14.0472/III	?s-Gravenhage, 26 februari 2015

Bij Kabinetsmissive van 18 december 2014, no.2014002441, heeft Uwe
Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter
overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de
Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de
totstandkoming van het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk, met memorie van toelichting.

Dit wetsvoorstel wijzigt de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen (hierna: Wko) om een personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk (hierna: personenregister) in te voeren.
Ingeschrevenen in dit personenregister die op grond van de Wko verplicht
zijn een Verklaring omtrent het gedrag (hierna: Vog) over te leggen,
zullen continu worden gescreend. De introductie van een personenregister
betreft het sluitstuk van de continue screening in de kinderopvang en
het peuterspeelzaalwerk (hierna: kinderopvang), waarmee op 1 maart 2013
is gestart. Met het personenregister wordt bijgedragen aan het verder
vergroten van de veiligheid van kinderen in de kinderopvang. 

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert in het kader van
de proportionaliteit van het voorstel niet alleen in de toelichting maar
ook in de wettekst tot uitdrukking te brengen dat alleen medewerkers die
gedurende opvangtijden structureel aanwezig zijn op de opvanglocatie
continu zullen worden gescreend. Daarnaast adviseert de Afdeling in de
toelichting in te gaan op de doorberekening van de structurele kosten
aan de persoon die zich inschrijft in het personenregister. Tevens wordt
aandacht gevraagd voor de verhouding van het personenregister tot de Wet
bescherming persoonsgegevens.  

De Afdeling adviseert het voorstel naar de Tweede Kamer te zenden, maar
acht op onderdelen aanpassing van het voorstel wenselijk. 

Personen die gedurende opvangtijden structureel aanwezig zijn

Continue screening in de kinderopvang vindt plaats sinds maart 2013.
Thans wordt een grote groep medewerkers die werkzaam is bij een
organisatie die kinderopvang exploiteert, continu gescreend. Dit
betekent onder andere dat, indien de houder naast kinderopvang ook
andere ondernemingen exploiteert waar men niet met kinderen in aanraking
komt, het personeel van die andere ondernemingen eveneens continu wordt
gescreend. De Afdeling heeft eerder opgemerkt dat zij dit overbodig en
disproportioneel vindt. 

Tijdens de behandeling van de Wijzigingswet kinderopvang is de motie van
het Kamerlid Tellegen aanvaard die er toe strekte de groep continu te
screenen personen te beperken tot die personen die direct of indirect
vanuit hun functie in contact staan met de opgevangen kinderen. 

Personen die werkzaam willen zijn in de kinderopvang dienen zich in te
schrijven in een nieuw in te voeren personenregister kinderopvang en
worden continu gescreend. Conform de motie Tellegen wordt de groep
personen die continu wordt gescreend, met het voorstel beperkt tot die
personen die indirect of direct vanuit hun functie in contact staat met
de opgevangen kinderen. Blijkens de toelichting behoren tot deze nieuwe
groep ook personen die op basis van een andere dan een
arbeidsovereenkomst werkzaam zijn op de opvanglocatie, zoals een tuinman
of schoonmaker, die gedurende opvangtijden structureel (of met
regelmaat) werkzaamheden verrichten op de opvanglocatie; ook zij moeten
zich inschrijven in het personenregister. Daarmee wordt niet gedoeld op
de klusjesman die iets komt repareren op de opvanglocatie of op de ouder
die incidenteel meehelpt. 

De Afdeling merkt op dat in de tekst van voorgesteld artikel 1.56b,
derde lid, Wko tot uitdrukking is gebracht dat personen van 18 jaar en
ouder die op de opvanglocatie van de gastouder aanwezig zijn, slechts
continu zullen worden gescreend voor zover zij structureel en regelmatig
tijdens opvanguren aanwezig zijn. Deze beperking van de groep continu te
screenen personen tot die personen die structureel en regelmatig tijdens
opvanguren aanwezig zijn, geldt niet voor kindercentra (zie de
voorgestelde tekst van artikel 1.50, derde lid, Wko). De Afdeling merkt
op dat dit verschil niet goed te verklaren valt. Voorts maakt dit de
groep op een locatie van een kindercentrum te screenen personen
onevenredig groot in het licht van het doel van het personenregister.

De Afdeling adviseert het voorstel op dit punt aan te passen. 

2.	Doorberekening structurele kosten

Personen die zich inschrijven in het personenregister zullen de
structurele kosten voor het personenregister opbrengen. De gedachte
hierachter is dat de activiteiten strekken tot profijt van de
ingeschrevene omdat hij werkzaam mag zijn in de kinderopvang, aldus de
toelichting. 

De vraag naar (criteria voor) de doorberekening van kosten is onderwerp
geweest van het rapport Maat houden 2014. Dit rapport vormt het
toetsingskader voor de doorberekening van toelatings- en
handhavingskosten bij het ontwerpen van wet- en regelgeving.
Uitgangspunt van dit rapport is dat handhaving van wet- en regelgeving
in beginsel uit algemene middelen moet worden gefinancierd.
Uitzonderingen daarop betreffen activiteiten met een quasi-collectief
karakter, waardoor sprake is van profijt voor groepen of personen:
systeemprofijt of individueel toerekenbaar profijt. 

	Doorberekening kosten aan medewerkers kinderopvang

De Afdeling onderkent dat een persoon die werkzaam wil zijn in de
kinderopvang er belang bij heeft zich te kunnen inschrijven in het
personenregister, waardoor hij in de kinderopvang mag werken. De
Afdeling wijst er evenwel op dat er naast dit individueel profijt ook
een publiek belang gediend is met het personenregister. Hierdoor wordt
immers de kans verkleind dat mensen die zijn veroordeeld voor een
gewelds- of zedendelict werkzaam zullen zijn in de kinderopvang en
daardoor worden de opgevangen kinderen beter beschermd. Het profijt
hiervan geldt dan ook mede voor de samenleving als geheel. Het
`profijtbeginsel' kan in die zin geen rechtvaardiging vormen voor het
volledig afwentelen van alle structurele kosten op de persoon die
werkzaam wil zijn in de kinderopvang. Zowel deze medewerker als de
samenleving hebben belang bij het personenregister. Het ligt daarom in
de rede dat zowel de overheid als de medewerker de structurele kosten
naar evenredigheid zullen dragen. 

De Afdeling adviseert naar aanleiding van het voorgaande het voorstel
aan te passen. 

	Doorberekening kosten aan huisgenoot 

Ook personen van 18 jaar en ouder die hun hoofdverblijf hebben op het
adres waar een voorziening voor gastouderopvang of een kindercentrum is
gevestigd, dienen zich in te schrijven in het personenregister. Voor hen
geldt hetzelfde inschrijftarief als voor personen die willen werken in
de kinderopvang. Het hiervoor genoemde individueel profijt ontbreekt
echter bij deze huisgenoten. Zij zullen immers niet werkzaam zijn in de
kinderopvang, maar zijn slechts woonachtig op hetzelfde adres. De
Afdeling is van oordeel dat voor de doorberekening van de structurele
kosten aan deze huisgenoten geen rechtvaardiging kan worden gevonden in
het profijtbeginsel. De structurele kosten kunnen derhalve niet op basis
daarvan aan de huisgenoot worden doorberekend. 

De Afdeling adviseert naar aanleiding van het vorenstaande het voorstel
aan te passen. 

3.	Verhouding tot de wetgeving bescherming persoonsgegevens

De toelichting bij het voorstel besteedt aandacht aan de verhouding van
het voorstel tot het recht op bescherming van persoonsgegevens. Daarin
wordt wel ingegaan op de verhouding van het voorstel tot artikel 8 van
het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, maar niet op de verhouding tot de Wet
bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) of de Wet justitiele en
strafvorderlijke gegevens (Wjsg). In de toelichting wordt volstaan met
de vermelding dat de verwerking van persoonsgegevens in overeenstemming
met deze wetten moet plaatsvinden. Daarnaast wordt - naar aanleiding van
het advies van het College bescherming persoonsgegevens - slechts
ingegaan op een bijzonder aspect van de Wbp, te weten de door artikel 7
Wbp voorgeschreven doelbinding.

De Afdeling acht de toelichting op dit punt onvolledig. Gelet op de
toelichting moet worden aangenomen dat het onderhavige voorstel een
concretisering van en/of een aanvulling is op de Wbp en de Wjsg. Vanuit
dat perspectief wordt uit de toelichting onvoldoende duidelijk hoe de in
het voorstel opgenomen bepalingen zich verhouden tot de onderscheiden
bepalingen van de beide genoemde wetten. Een verheldering acht de
Afdeling op dit punt gewenst, omdat het samenstel van genoemde
bepalingen bepalend zal zijn voor de verplichtingen van degenen die voor
de verwerking van persoonsgegevens verantwoordelijk zijn en voor de
rechten van betrokkenen. Een nadere uiteenzetting over de verhouding
tussen de diverse bepalingen is bovendien nodig om te beoordelen over
welke aspecten op grond van het voorgestelde artikel 1.48d, zevende lid,
nog bij algemene maatregel van bestuur nadere regels moeten worden
gesteld.

Ter nadere uitwerking van het voorgaande vraagt de Afdeling bijzondere
aandacht voor de volgende aspecten. 

a. 	Grondslag gegevensverwerking

In artikel 8 Wbp wordt bepaald dat persoonsgegevens slechts mogen worden
verwerkt op een van de in die bepaling genoemde gronden. Uit de
toelichting wordt niet duidelijk welke van de in artikel 8 Wbp genoemde
grond of gronden op de uit het voorstel voortvloeiende
gegevensverwerkingen van toepassing zijn. In de toelichting wordt
vermeld dat door zich in te schrijven in het personenregister de persoon
in kwestie accepteert dat hij continu wordt gescreend. Gelet op de
strenge eisen die de Wbp stelt aan de aanwezigheid van toestemming is
het niet aannemelijk dat de verwerking in casu kan worden gebaseerd op
de ondubbelzinnige toestemming van de betrokkene als bedoeld in artikel
8, onder a, Wbp. Dat betekent dat een of meer van de andere in artikel 8
Wbp genoemde gronden van toepassing is. Uit de toelichting wordt niet
duidelijk op welke van deze gronden de gegevensverwerking voor het
personenregister en de continue screening precies zal berusten. 

b.	Informatievoorziening betrokkene

De persoon die in de kinderopvang wil werken, dient zich zelf in te
schrijven in het personenregister. Daarmee wordt het mogelijk dat ten
aanzien van deze persoon continu wordt getoetst of hij nog wel voldoet
aan de vereisten voor het afgeven van een Vog die op grond van de wet
aan werken in de kinderopvang worden gesteld. De continue screening
houdt vervolgens in dat Justis deze personen screent aan de hand van het
Justitiele Documentatie Systeem (hierna: JDS). Als zich in het JDS een
mutatie heeft voorgedaan met betrekking tot de ingeschrevene wordt dit
doorgegeven aan het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag
(COVOG). Dat beoordeelt of er een (nieuwe) Vog kan worden verstrekt.
Indien het COVOG tot het voorlopige oordeel komt dat de Vog bij
hernieuwde beoordeling zou worden geweigerd, wordt de betrokkene met
tussenkomst van de toezichthouder via zijn werkgever verzocht om een
nieuwe Vog aan te vragen. 

Hoewel de betrokkene zich zelf inschrijft in het personenregister en
daarmee op de hoogte is van de daarmee samenhangende gegevensverwerking,
kan hem onduidelijk zijn wat er vervolgens met zijn gegevens gebeurt en
welke instanties daar bij betrokken zijn. Nu het gaat om de verwerking
van (bijzondere) persoonsgegevens dient de ingeschrevene hierover op
juiste wijze te worden geinformeerd. In dit verband wijst de Afdeling op
de artikelen 33 en 34 van de Wbp. Uit de toelichting blijkt niet of en
zo ja, hoe gelet op de toepasselijke wettelijke voorschriften zal worden
voorzien in de informatievoorziening van de betrokkene. 

c. 	Justitiele gegevens	

In de toelichting wordt gesteld dat in het personenregister justitiele
gegevens worden verwerkt en dat die verwerking plaatsvindt met
inachtneming van de Wet justitiele en strafvorderlijke gegevens. Uit de
beschrijving van het proces van gegevensverwerking in de toelichting
wordt niet duidelijk of en zo ja welke justitiele gegevens worden
verwerkt. Ook wordt uit de toelichting niet duidelijk of op de eventuele
verwerking van justitiele gegevens de bepalingen van de Wbp inzake
bijzondere persoonsgegevens van toepassing zijn en zo ja, hoe het
wetsvoorstel zich in dat geval verhoudt tot artikel 16 van de Wbp en de
in artikel 22 en 23 Wbp genoemde uitzonderingen.

De Afdeling adviseert gelet op het voorgaande in de toelichting in te
gaan op de verhouding van het voorstel tot de Wbp en de Wjsg en meer in
het bijzonder op hetgeen in de punten a, b en c van deze paragraaf naar
voren is gebracht.

4. 	Delegatie

Voorgesteld artikel 1.48d, zevende lid, onder c, Wko bepaalt dat bij
algemene maatregel van bestuur (hierna: amvb) regels worden gesteld met
betrekking tot de gegevensverwerking en dat die regels niet alleen
betrekking hebben op de wijze waarop de gegevens uit het
personenregister worden verstrekt maar ook op het doel waarvoor. 

De Afdeling merkt op dat het doel van de gegevensverstrekking is
omschreven in voorgesteld artikel 1.48d, eerste lid. Indien beoogd is
een tweede doel voor de gegevensverstrekking te bepalen bij amvb, merkt
de Afdeling het volgende op. Uitgangspunt is dat elke delegatie van
regelgevende bevoegdheid zo concreet en nauwkeurig mogelijk wordt
begrensd. Dit houdt in dat in de wet geconcretiseerd dient te worden
onder welke omstandigheden van de gedelegeerde bevoegdheid gebruik mag
worden gemaakt, welke onderwerpen het betreft en voor welke doeleinden
zij mag worden gebruikt. Met het oog hierop dienen alle doelen van de
gegevensverstrekking in de Wko te worden opgenomen. 

De Afdeling adviseert naar aanleiding van het voorgaande in voorgesteld
artikel 1.48d, zevende lid, onder c, de woorden `en het doel waarvoor'
te schrappen. 

5.	De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele
bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het
voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State,

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de
Raad van State betreffende no.W12.14.0472/III

-	In de aanhef van artikel I, onderdeel B, ''In paragraaf 2. ``Eisen''''
vervangen 	door: In paragraaf 2, hoofdstuk 1, afdeling 3 ``Eisen''. 

-	In artikel I, onderdeel E, zesde lid ``Het achtste lid (nieuw)''
vervangen door: 	In het achtste lid (nieuw).  

-	Artikel I, onderdeel F, vervangen door:	

	Onder vernummering van het tweede lid tot het derde lid, wordt artikel 
1.61, eerste lid, vervangen door:	

Het college ziet toe op de naleving van:

de bij of krachtens afdeling 3 van dit hoofdstuk gestelde regels, met
uitzondering van de bij of krachtens artikel 1.48d, eerste lid en derde
tot en met zevende lid;

de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen;

de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan
wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden; 

de in de bij artikel 1.50b vastgestelde algemene maatregel van bestuur
vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. 

Het college wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder. 

	In de aanhef van artikel I, onderdeel J, ``In paragraaf 2. ``Eisen''''
vervangen 	door: In paragraaf 2, hoofdstuk 2, afdeling 2 ``Eisen''.'. 

 	Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 13
december 2012 over het Besluit continue screening kinderopvang
(W12.12.0452/III) (Stb. 2013, 40). 

 	Kamerstukken II 2012/13, 33 538, nr. 15. Deze motie strekte er toe de
mogelijkheid te creeren om een onderscheid te maken tussen personeel dat
wel en personeel dat niet in contact staat met kinderen en vervolgens de
Vog-plicht alleen te laten gelden voor personeel dat in contact staat
met kinderen 

 	Toelichting, paragraaf. 1.3.1.

 	Toelichting, paragraaf. 1.3.1.

 	Toelichting, paragraaf. 3.

 	`Maat houden. Een kader voor doorberekening van toelatings- en
handhavingskosten.' Rapport van de MDW-werkgroep doorberekening
handhavingskosten, juni 1996. Dit rapport is geactualiseerd door de
werkgroep Herziening Maat houden. Het geactualiseerde rapport van 11
april 2014 is bij brief van 7 mei 2014 aan de Voorzitter van de Eerste
Kamer aangeboden. 

	Toelichting, paragraaf 2.

 	Toelichting, paragraaf 2, eerste tekstblok.

 	Zie over de verhouding tussen de Wbp als algemene overkoepelende wet
en bijzondere wetten Kamerstukken II 1997-1998, 25892, nr. 3, p. 11-13.

 	Vergelijk artikel 8, onder a, jo. artikel 1, onder i Wbp.

	Toelichting, paragraaf 2. 

	Toelichting, paragraaf 2.

 	Artikel 1.48d, lid 7, luidt: Bij algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld met betrekking tot de gegevensverwerking, bedoeld in het
eerste lid. De regels hebben betrekking op:

	a. de gegevens die in het personenregister kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk worden opgenomen;

	b. de start van de continue screening kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk;

	c. de wijze waarop en het doel waarvoor de gegevens uit het
personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk worden verstrekt;

	d. het aanwijzen van een bewerker; en

	e. het verwijderen uit en bewaren van gegevens in het personenregister
kinderopvang en peuterspeelzaalwerk.

	Zie ook aanwijzing 25 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

 PAGE   1 

  PAGE  2 

 PAGE   I 

........................................................................
...........

AAN DE KONING