Werkbezoek Vaste Kamercommissie OCW
Overig (openbaar)
Nummer: 2009D32135, datum: 2009-06-24, bijgewerkt: 2025-05-21 12:24, versie: 1
Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.J.G.M. Biskop, Tweede Kamerlid (Ooit CDA kamerlid)
Onderdeel van zaak 2009Z12288:
- Indiener: J.J.G.M. Biskop, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2009-06-25 10:00: Procedure en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
Werkbezoek Vaste Kamercommissie OCW
Thema: Beroepsonderwijs in Duitsland
Een werkbezoek aan Duitsland kan interessante en nieuwe gezichtspunten
opleveren voor de vaste Kamercommissie OCW. In Duitsland vinden
momenteel afwegingen plaats die eerder ook in Nederland hebben
plaatsgevonden. Gelet op de resultaten van de commissie Dijsselbloem en
het onderzoek naar de invoering van het Competentiegericht Onderwijs is
het interessant om te zien hoe in Duitsland momenteel een beweging naar
ROC-vorming te zien is. De overwegingen die daar gemaakt worden, kunnen
van nut zijn bij een evaluatie van de Nederlandse ontwikkelingen. Verder
vindt er momenteel een sterke verschuiving plaats van BBL naar BOL. Ook
is interessant te verkennen hoe EQF zich verhoudt tot het bestaande
curriculum in de scholen.
Verder is er de actualiteit hoe gaat de BRD en de verschillende
Bundeslaender om met de economische crisis. Welke maatregelen nemen zij
t.a.v. het beroepsonderwijs? Op welke wijze houden zij hun afstuderende
jongeren aan de slag?
Tenslotte is het goed om aandacht te besteden aan BAND. BAND
(Bilaterales Austauschprogramm Niederlaende Deutschland is het programma
dat partnerschappen tussen Nederlandse en Duitse instellingen in het
middelbaar beroepsonderwijs ondersteunt. BAND wil instellingen een
impuls geven om bilaterale uitwisseling als vast onderdeel van de
beroepsopleiding te ontwikkelen. Ervaringen met uitwisselingsprojecten
tonen aan dat de deelnemers door het verblijf in het buitenland
vooroordelen leren onderkennen en verdraagzamer worden. In Nederland
kunnen aanvragen worden ingediend door onderwijs-instellingen die vallen
onder het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het
ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit. In Duitsland
zijn alleen instellingen buiten schoolverband (bedrijven) bevoegd tot
het doen van aanvragen. Aangezien de financiering afkomstig is uit
middelen van Bundesministerium fuer Bildung und Forschung, komen
beroepsopleidingen in Duitsland juist niet in aanmerking.
Voor het werkbezoek zijn er verschillende mogelijkheden, mede
afhankelijk van de te besteden tijd:
- In een van de Bundeslaender, bijvoorbeeld Noordrijn Westfalen
de ontwikkelingen bespreken van ROC-vorming, de verschuiving van BBL
naar BOL, meester-gezel opzet van opleidingen. Dit kan mogelijk in
combinatie met een bezoek aan het BiBB ( HYPERLINK
"https://mijn.tweedekamer.nl/f5-w-f50a3f47cb2fcbee35558b4006e3bf41df1c5e
6358dceda63c665be7669b895972d925594f4924fe1045df402bba710c7de58406b94bea
78fefaf32324b84c3c95$$/exchweb/bin/redir.asp?URL=http://www.bibb.de/" \t
"_blank" http://www.bibb.de ) in Bonn. Het Bundesinstitut fuer
Berufsbildung heeft recente onderzoeken gedaan naar voortijdig
schoolverlaten, de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt,
arbeidsmarktrelevantie van opleidingen, etc.
- Een bezoek aan Hamburg, Sleeswijk-Holstein (een relatief arm
Bundesland met kleinschalig beroepsonderwijs) en aansluitend een bezoek
aan Berlijn (Bundesministerium) voor een meer algemeen beeld van het
Duitse beroepsonderwijs met knelpunten en uitdagingen (o.a. aansluiting
aan het EQF).
Bijlage: Overzicht Duits onderwijs
Bijlage:
Het Duitse onderwijs
Het Duitse onderwijssysteem kent een algemene structuur, maar door de
relatieve autonomie van de verschillende Bundeslaender zijn er veel
regionale verschillen in de onderwijspraktijk en organisatie. In de
meeste delen van Duitsland is het onderwijs gratis. Het lesmateriaal
komt wel vaak voor rekening van de ouders.
Structuur en diploma's
Na het kleuteronderwijs (Kindergarten) volgen de leerlingen vanaf zes
jaar de Grundschule, de Nederlandse basisschool. Vanaf dat moment worden
de klassen doorgeteld tot maximaal klas 13 van het gymnasium of de
Berufsfachschule of Fachoberschule. Na klas 5 (`groep 7') start het
voortgezet onderwijs, een jaar eerder dan in Nederland.
Klas vijf, als de leerlingen elf jaar zijn, geldt als een orientatiejaar
voor de schoolkeuze. De resultaten van de leerlingen tot dan toe zijn
bindend voor het advies. De leerlingen kiezen in het voortgezet
onderwijs uit drie schooltypen:
de Hauptschule, grofweg vergelijkbaar met het VMBO;
de Realschule, vergelijkbaar met de VMBO
theoretisch/HAVO;
het Gymnasium (VWO/Atheneum).
Het voortgezet onderwijs eindigt met klas 10, als de leerlingen zestien
jaar zijn. Vanuit de Hauptschule en de Realschule stromen de leerlingen
door naar het beroepsvoorbereidende onderwijs of in een duaal systeem
van leren en werken. Na het afsluitende examen in klas 9 wordt in klas
10 van de Hauptschule een begin gemaakt met het beroepsgerichte
onderwijs. Het eindexamen van de Realschule vindt plaats in klas 10.
Leerlingen in klas 10 van het Gymnasium sluiten de onderbouw af en
stromen door naar de gymnasiale bovenbouw. Deze bovenbouw kan vakgericht
zijn of pre-universitair, zoals het vwo in Nederland.
Het Gymnasium tot slot wordt afgesloten in klas 13 met het eindexamen
(die Abitur).
Belangrijke uitgangspunten
De algemene structuur, de leeftijdsgrenzen en de onderverdeling in
schooltypen zijn nationaal vastgesteld; de werkelijke inhoud van het
curriculum en de organisatie van het onderwijs zijn zaak van elk
Bundesland op zich. Het onderwijs in Duitsland is per Bundesland
verschillend: er zijn vooruitstrevende Bundeslaender en meer behoudende.
Een internationaal onderzoek in 2002 gaf een minder rooskleurig beeld
van de onderwijskwaliteit en leidde tot de vraag om meer interregionale
samenwerking en betere kwaliteitsbewaking.
In het algemeen kan gesteld worden dat het onderwijs in Duitsland zich
meer dan in Nederland richt op een voorbereiding op de beroepspraktijk.
Tegelijkertijd wordt het Duitse onderwijs vaak ervaren als wat meer
`ouderwets' of, alnaargelang het perspectief van de beoordelaar, als
`gedegen' of `degelijk'. Op veel scholen wordt nog vaak klassikaal en
frontaal lesgegeven: de leraar voor de klas, het tempo en het niveau
voor elke leerling min of meer gelijk. Door de veranderende samenleving
en schoolbevolking komt hier snel verandering in.
Een schooltype dat in dit verband nog genoemd moet worden is de
zogenaamde `Gesamtschule' in het voortgezet onderwijs, waar alle drie
vormen onderwijskundig en organisatorische worden gecombineerd. Een van
de achterliggende gedachtes is dat de leerling meer mogelijkheden heeft
om tussentijds van onderwijstype te wisselen en daardoor niet wordt
vastgepind op een mogelijk te vroege keuze. Een andere dat leerlingen
met verschillende vermogens op verschillende vakgebieden van elkaar
kunnen leren.
Belangrijkste verschillen met Nederland
Ouders zijn niet helemaal vrij in hun schoolkeuze. In de regel moeten
kinderen naar de dichtstbijzijnde school. Een belangrijk deel van de
kosten van het onderwijs komen voor rekening van de gemeenten. De meeste
scholen voor voortgezet onderwijs zijn daarom geconcentreerd rond de
grote dorpen en steden, die meer financiele armslag hebben.
De beslissing voor vervolgonderwijs valt een jaar vroeger dan in
Nederland.
Ook de lestijden verschillen van die in Nederland. In de regel zijn de
leerlingen klaar tussen half een en half twee. Huiswerk is echter wel
een belangrijk onderdeel van de scholing: de `vrije' middag is
nadrukkelijk daarvoor bedoeld.
Om dit te begeleiden wordt een inzet van de ouders verwacht. Ouders die
dit niet kunnen bieden, bijvoorbeeld omdat ze een baan hebben, kunnen
gebruik maken van de `Nachhilfe studio's' (bijlessen). Deze kunnen
kostbaar zijn, maar worden soms ook door de school zelf georganiseerd
tegen redelijke tarieven.